Het mooiste kerkhof van Spanje

04/11/2018

Een kerkhof met uitzicht op zee heeft altijd iets speciaals. Zielen die wachten om te veranderen in een bootje om naar het hiernamaals te varen. Dat zou ook een verklaring zijn voor de naam van de Costa do Morte, de kust van de dood in Galicië, waar ook de kaap van Finisterre ligt. Daar aan de kust gaat het niet alleen over het einde van de wereld, maar ook over het einde van het leven en het begin van het hiernamaals. Ieder jaar rond de dag van Allerheiligen verschijnt in verschillende Spaanse media de top 10 van mooiste begraafplaatsen. Altijd zijn er wel een paar bij die aan de Cantabrische kust liggen; Luarca, Comillas, of het kerkhof van ons eigen Castro Urdiales. Vreemd genoeg wordt het camposanto van Barro altijd overslagen. Het ligt dan weliswaar niet aan zee, maar wel aan het water. Aan de Ría van Barro, tussen de dorpen Barro en Niembro en niet ver van Llanes, een populaire vakantieplaats in Asturië. Het kerkhof ligt voor de 18e-eeuwse kerk van Nuestra Señora de los Dolores.

Bij de voorbereiding op het schrijven van een reisgids over Asturië en Cantabrië had ik op internet al wat foto´s gezien van het bijzondere kerkhof van Barro. Het was zaterdag, twee dagen na Allerheiligen, een goede dag om het kerkhof ook eens te bezoeken. De begraafplaats was veranderd in een bloemenzee. Geen rouwkransen, maar fleurige boeketten, sommigen in de vorm van een hart. Alsof het geen najaar was, maar voorjaar. De kleine begraafplaats wordt omringd door water, dat zich terugtrekt als eb begint. Vissers laten hun bootjes achter op een drassig stukje land pal naast de muren van het kerkhof. Boven op de muren staan drie pantheons. In één daarvan ligt de rijke indiano Anselmo Martínez Carrera, die zijn fortuin vergaarde in Mexico en de bouw van de kerk financierde. Het kerkhof ligt een tiental treden lager dan de kerk, waardoor je vanaf een soort balkon voor het hoofdportaal van de kerk uitkijkt over de graven. Keurig gerangschikt lijken ze te wachten tot ze aan hun laatste reis over het water kunnen beginnen. Aan de zijkant van de kerk staat een lange muur, waarin de kisten boven elkaar staan. Een manier van begraven die je veel ziet in Spanje, met als beste voorbeeld misschien wel het grote kerkhof van Barcelona dat aan de zeekant van de berg van Montjuic is ingericht. Ook ons kerkhof in Castro Urdiales heeft van zulke ´ladekasten´. Van dit kerkhof zijn de twee foto´s onder deze post. Om even te laten zien dat niet alleen het kerkhof van Barro het mooiste kerkhof van Spanje is. 

Anuncios

Jaarmarkt in Gernika

30/10/2018

Onder de daklijst van een hoog gebouw aan de calle Artekale in Gernika staat in Romeinse cijfers het jaartal 1945. Wij denken dan gelijk aan het einde van de Tweede Wereldoorlog, maar de oorlog was voor Gernika al jaren eerder voorbij. Om precies te zijn, op 26 april 1937. Toen werd het stadje met de grond gelijk gemaakt na een langdurig bombardement door het Duitse Condorlegioen. Voor de Duitsers, die de opdracht kregen van Franco, was het een training voor latere bombardementen in de Tweede Wereldoorlog op Warschau en Rotterdam. Het was het eerste bombardement vanuit de lucht om zoveel mogelijk slachtoffers te maken en zo de moraal bij de vijand te breken. Tussen de 30 en 40 ton aan fosfor- en brandbommen werden boven Gernika afgeworpen. Ongeveer 155 mensen kwamen om het leven. In de dagen erna werden kinderen op schepen gezet en naar Engeland gebracht. Veel overlevenden verlieten Gernika om nooit meer terug te komen.

Het bombardement vond plaats op een marktdag, zoals het dat gisteren ook was. En niet zo maar een marktdag. Op de laatste maandag van oktober viert Gernika zijn jaarmarkt. Het hele centrum stond vol met honderden kraampjes, volgestouwd met kaas, bonen, wijn, taarten, tomaten, brood, paprika´s en nog veel meer producten die de bewoners van de boerderijen in de bergen van het Baskenland in Gernika kwamen verkopen. Tot vanuit de Pyreneeën van het Franse Baskenland kwamen ze afdalen naar Gernika. Gisteren viel de verkoop door het slechte weer tegen. Het regende, soms viel er hagel, en het was koud, zo´n negen graden. Het aantal bezoekers schommelde rond de 55.000, terwijl dat er in 2016 nog 140.000 waren. Degenen die wel naar de markt kwamen, trokken zich weinig aan van het slechte weer. Er werd volop geproefd aan de heerlijke kazen, het brood en de pastel vasco. Anoniem schuifelden tussen de bezoekers verschillende koks van restaurants met een Michelinster. Op het plein met het standbeeld van de componist van het lied over de eik van Gernika, José Maria Iparraguirre, zongen de bertzolaris vanaf het podium hun geïmprovieerde liederen. Op hetzelfde podium werd aan het einde van de ochtend de winnaar van de beste schapenkaas bekend gemaakt. Even later werd de kaas bij opbod voor 5607 euro verkocht aan een discotheek in Gernika.

Op het plein bij het gemeentehuis stonden verschillende groepjes bij elkaar met glazen txakoli, de Baskische witte wijn. Aan hetzelfde plein staat ook het Museum van de Vrede. Een documentatiecenrum dat tot in de kleinste details het verhaal over het bombardement in de Spaanse burgeroorlog vertelt. Buiten is nauwelijks nog iets te bespeuren van de tragedie. In de kerk van Santa Maria zijn nog wat inslagen te herkennen en naast de rechtbank is op ware grootte op een tegeltableau het beroemde schilderij van Picasso gekopieërd. Als je er een tijdje naar kijkt, hoor je het gebrom van de vliegtuigen, het gefluit van de afgeworpen bommen, de inslagen, het gegil van de bewoners, de ontreddering, het verdriet. De inwoners van Gernika begonnen al snel na het bombardement aan de wederopbouw van hun stadje. Binnen tien jaar was het grootste gedeelte van de huizen hersteld of was er nieuwbouw voor in de plaats gekomen. De boeren kwamen weer uit de bergen naar de markt. Gernika pakte de draad van het dagelijkse leven weer op. En in dat dagelijkse leven speelt de markt een belangrijke rol. 

 

Spaanse brieven uit Haarlem

26/10/2018

Daar staan we dan. Voor de deur van het militair museum in Valencia. Met twee boeken voor de directeur van het museum. Maar de deur blijft gesloten. Net als bij de sociëteit van gepensioneerde parachutisten, waar we ook al hadden aangebeld. Een deur verderop werd wel open gedaan. Een zwaarbewapende soldaat luisterde ons relaas aan. Dat we twee boeken hadden voor de directeur van het museum. Twee bewijsexemplaren voor het mogen gebruiken van een schilderij van het Beleg van Haarlem dat in het museum hangt. De soldaat liep weg om daarna terug te komen met een hogere officier. Hij mocht geen pakketjes in ontvangst nemen. Dat was verboden. We moesten onze missie aborteren.

Bij een bezoek aan het Escorial gaat het uiteraard al snel over de Tachtigjarige Oorlog. Het kloosterpaleis van Philips II is voor ons Nederlanders het hol van de leeuw. Begin september vertelde iemand tijdens het bezoek dat er binnenkort een boek zou uitkomen met daarin vertaalde brieven die Spaanse soldaten die vochten bij Haarlem naar hun vaderland hadden gestuurd. En oh toeval, nog geen maand later, schud ik bij een reis door het oosten van Spanje de schrijfster van dit boek, Barbara van der Kooij, (opnieuw) de hand. Zij staat op de foto voor de gesloten deur van het museum. 

Het is dit jaar 450 jaar geleden dat de Tachtigjarige Oorlog uitbrak. Het Rijksmuseum viert dat met een expositie en daaraan is ook een serie documentaires op televisie gekoppeld. Ook het boek van Barbara van der Kooij staat in het teken van de oorlog tussen de Nederlanders en de Spanjaarden. Nederland wil de expositie aangrijpen om het beeld dat wij hebben van de Spanjaarden in die tijd, met de hertog van Alva voorop, wat te nuanceren. Wat wij als kinderen op de lagere school leerden over de Spanjaarden was niet helemaal terecht. Het eerste jaartal dat ik uit mijn hoofd kende, was overigens het sterfjaar van Philips II. 1598, dat was ook ons telefoonnummer. De punderingen, de verkrachtingen, de wreedheid van de Spanjaarden, wordt de Zwarte Legende genoemd. Nu wordt de nadruk erop gelegd dat Philips II de rechtmatige gezagshebber was over de Lage Landen en dat wij Nederlanders opstandelingen waren.

Als dit een gebaar is naar Spanje, is het een overbodige geste. De Spanjaarden hebben het nooit over de Tachtigjarige Oorlog. Voor hen is de  Zwarte Legende de bugeroorlog en de lange periode van de dictatuur met Franco. En als ze dieper graven in de geschiedenis, zullen ze zich episoden herinneren uit hun eigen streek. Voor de inwoners van Zaragoza is dat bijvoorbeeld het beleg tijdens de strijd tegen Napoleon. De Spanjaarden zijn trots op de monumenten in hun streek; kathedralen, Moorse burchten, Romeinse tempels, kloosters, etc.  Het verhaal dat er achter schuilt, kennen ze vaak niet eens. De grootste vijand in de geschiedenis van Spanje is altijd Frankrijk geweest. Slechts een keer voelde ik het vijandschap van een Spanjaard tegen mijn vaderland. Dat was in de kathedraal van Las Palmas de Gran Canaria toen ik werd aangesproken door een priester omdat ik een vertrek binnen was gestapt dat voor het publiek niet toegankelijk was. Hij vroeg waar ik vandaan kwam en toen hij Nederland hoorde, schudde hij het hoofd. Even dacht ik dat hij aan mijn landgenoot Pieter van der Does moest denken, de piraat die Las Palmas plunderde en ook de kerkklokken van de kathedraal meenam. Maar nee, hij mompelde bijna onverstaanbaar de woorden euthanasie, abortus en homohuwelijk. No está bien, no está bien. 

Het rode goud blinkt niet meer

23/10/2018

Ze konden het zo van het strand opscheppen. Bij iedere schep hoorden ze de kassa rinkelen. Maar die tijd is voorbij. De prijs van de roodalg is behoorlijk gekelderd. Kregen ze eerst nog 2,50 euro voor een kilo gedroogd roodwier, nu brengt dezelfde hoeveelheid amper tachtig cent op. Maar toch blijven ze scheppen aan de Cantabrische kust. De zilte geur dampt van de hopen roodalg af. Caloca heet de roodalg hier aan de Spaanse noordkust. Tot zo´n vijftien jaar geleden was de verkoop van deze alg een aardige bijverdienste, maar niet meer dan dat. Tot de rode smurrie in de mode raakte als bindmiddel. De alg werd populair in de wereld van de gastronomie, de cosmetica en de farmacie. Je kunt de alg terugvinden in levensmiddelen onder de code E-406, zoals mayonaise, kaas, puddingpoeder en bier. De substantie die vrij komt na het koken van de roodalg heet agar-agar, een woord uit het Maleis dat gelei betekent. In de 17e eeuw werd het bij toeval ontdekt toen iemand een soep kookte, waarin roodalg zat. De Nederlandse koopvaarders namen het mee naar Europa. 

De oogst vindt plaats in september en oktober als de zee bij springtij de alg op het strand braakt. De man op de foto boven deze post heeft hier in Castro Urdiales samen met zijn kameraad het monopolie op de handel in coloca. Ze schrapen de alg op grote hopen en voeren het met een tractor af. Dit jaar hadden ze geluk. Door het goede weer konden ze de alg droog aanleveren, waardoor ze een iets hogere prijs zullen krijgen. En dat geldt ook voor hun tientallen collega´s die op andere stranden aan het werk zijn. In de zee voor plaatsen als Comillas en San Vicente de la Barquera gaan tractoren de zee in om de alg uit het water te dreggen. Van nauwelijks bereikbare strandjes wordt de oogst vanaf de kliffen omhoog getakeld. Er wordt hard gewerkt, ondanks de lage prijs die ze krijgen voor dat werk, veroorzaakt door de concurrentie uit Marokko en de Chinezen die een alternatief voor de agar-agar hebben ontwikkeld. 

Binnendringen in de Picos

06/10/2018

Bulnes staat op het bord aan het begin van het dorp. En daaronder villa, dorp. Dat is wel duidelijk als je het stenen pad verder afloopt en een groep huizen ziet aan een klein beekje. Misschien is het erbij gezet voor degenen die denken dat ze al bijna bij de markante oprijzende rots zijn met dezelfde naam. Maar de bergwandelaar die dat denkt, komt bedrogen uit. In het dorp Bulnes staat een wegwijzer met een pijl die naar de berg Bulnes wijst en de tijd die de wandelaar er ongeveer over zal doen; 4,5 uur. Voor degenen die de emblematische rots van afstand willen zien, is het tien minuten wandelen naar een utizichtspunt net buiten het dorp Bulnes, vanwaar de foto boven deze post is genomen.

Bulnes ligt in het nationale park van de Picos de Europa. Sinds 2001 gaat er vanaf Poncebos, aan de noordkant van het park, een kabeltreintje naar toe die de bezoeker in tien minuten naar boven brengt. Het was een omstreden project met een omstreden ritprijs. 17, 61 euro voor een enkele reis, 22, 16 euro voor een retour. Wandelend door de kloof van de rivier de Tejo is het volgens de wegwijzer een uur en een kwartier. Tot de eeuwisseling konden de dorpsbewoners alleen langs dit pad van hun dorp naar de bewoonde wereld en weer terug. Zij zullen met hele andere gevoelens het traject hebben afgelegd dan de wandelaar van vandaag. Binnendringen in de Picos de Europa heeft iets magisch. Opgeslokt worden door grillige rotsformaties en hoogoprijzende bergwanden van kalksteen. Het geruis van een beekje dat opstijgt vanuit een honderd meter diepe kloof. Vale gieren die rond de bergtoppen cirkelen. Het is geen eenvoudig pad. Over de hele lengte stijgt het vierhonderd meter, maar op sommige stukken is het stijgingspercentage 18 procent. Het kalksteen is door al die voeten en hoeven die over het pad zijn gegaan uitgesleten en glad geworden. Voor de sportieve bergwandelaar is de etappe van Poncebos naar Bulnes nog maar het begin van het avontuur Voor velen is het doel van hun expeditie de berg Naranco de Bulnes of Picu Urriellu in de taal van Asturië. Het is een stenen puist met een hoogte van 2519 meter die aan de westkant vijfhonderd meter verticaal oprijst. 

Onze expeditie eindigt op het terras van restaurant El Redondín in Bulnes met een bord witte bonen met venuschelpen en forel als hoofdgerecht. Het afzakkertje drinken we vijfhonderd meter verderop op het terras van bar El Mirador, waar we een fantastisch uitzicht hebben op de kloof waar we doorheen zijn gewandeld. Bar El Mirador ligt in de wijk Bulnes El Castillo. Nu weten we ook waarom aan het begin van het dorp op het bord naast Bulnes ook la Villa stond. Het dorp bestaat uit twee wijken, la Villa en El Castillo. Één dorp, twee wijken, verscholen in het hart van de Picos de Europa.  

Zonnen op de helling

30/09/2018

Merkwaardig. Ons dorp Castro Urdiales is gezegend met twee stranden, maar toch rollen veel mensen hun handdoek uit op het beton van de helling onder de middeleeuwse kapel van Santa Ana. Ze gaan het water in tussen de plezierjachten en vissersboten die in de haven liggen. En als je vraagt waarom ze het doen is het antwoord vaak dat ze niet beter weten. Dat ze hier als kind al kwamen. Dat dit hun plaats is. De stranden zijn voor de stadsmensen uit Bilbao. En daarom is Castro Urdiales een dorp. De vissersplaats mag dan ooit van een koning stadsrechten hebben gekregen, de sfeer in de plaats is die van een dorp. Bilbao is de grote stad op 35 kilometer afstand. Castro Urdiales heeft 35000 inwoners, maar in de zomer verdubbelt dat aantal, als de mensen uit Bilbao intrek nemen in hun vakantie-appartement en er vooral Franse en Spaanse toeristen naar de kustplaats komen. Ieder half uur vertrekt er een bus naar Bilbao en ieder ochtend rijden schoolbussen naar de Baskische stad. Als Athletic de Bilbao speelt, hangt bij de barren de roodwitte vlag buiten, zodat we weten dat we daar de wedstrijd op televisie kunnen zien. Terwijl onze hoofdstad toch Santander is. Maar die stad lijkt veel verder weg dan de 65 kilometer die op het bord net buiten Castro  langs de snelweg staat. Het is een hele onderneming om met de streekbus Santander te bereiken. De kinderen voetballen op de pleintjes in een shirt van Athletic. Niemand wil een speler van Racing Santander zijn. In de vroege middeleeuwen waren Castro Urdiales en Bilbao eigendom van dezelfde heer, Don Diego López de Haro, Heer van Vizcaya. Bij een herindeling in de twintigste eeuw zou Castro Urdiales zijn aangeboden aan de Basken, maar die voelen niets voor de adoptatie van de kleine vissersplaats. De vreedzame invasie van de inwoners van Bilbao, die vooral in de jaren negentig goed op gang kwam, heeft de lokale economie geen windeieren gelegd. Van enige wrijving tussen Cantabriërs en Basken is in Castro niets te merken. Maar de stranden zijn voor de mensen uit de grote stad. Op de helling zonnen de dorpelingen van Castro Urdiales. 

Het rommelt in de Vallei

17/09/2018

Een kleine oranje pion verspert de oprit voor de bus. Bij de andere ingang staan vier auto´s te wachten. De man bij de kassa controleert nauwkeurig alle paspoorten. Alleen gepensioneerden krijgen korting. Klokslag tien uur zal de pion worden weggehaald. Het is een dag als alle andere. Het vertrouwde beeld bij de ingang naar de Vallei van de Gevallenen. Niets duidt erop dat op een afstand van een kilometer of vijftig in het Spaanse parlement zal worden beslist of het lichaam van Franco wordt weggehaald uit de Vallei. Geen journalist heeft de moeite genomen om bij de Vallei de sfeer te komen proeven. Eenmaal binnen in de basiliek valt toch een verschil op met eerdere bezoeken. Op het graf van Franco liggen meer bloemstukken dan ooit. Meestal lag er alleen het boeketje van de stichting Fransisco Franco Maar de afgelopen weken zijn veel mensen naar de vallei gekomen om de dictator een hart onder de riem te steken. Het aantal bezoekers in augustus steeg met 76% in vergelijking met dezelfde maand in 2017. Ruim 60.000 bezoekers kwamen naar de Valle de los Caídos. Het is hetzelfde verhaal als op Cuba. Toen het minder ging met Fidel Castro kwamen er meer toeristen naar Cuba. Iedereen wilde nog het Cuba van Castro meemaken voor de oldtimers uit het straatbeeld zouden verdwijnen en voor de eerste McDonald´s zouden neerstrijken op het eiland. 

Het is een van de belangrijkste beslissingen van de socialistische partij die in juni aan de macht kwam na de rechtconservatieve regering van de PP met een motie van wantrouwen naar huis te hebben gestuurd. Al in 2004 kwamen de socialisten, toen nog onder leiding van Zapatero, met een Wet op de Herinnering van de Burgeroorlog en de dictatuur. In dat jaar werden overal de ruiterstandbeelden van Franco uit parken en van pleinen getakeld. Straatnamen die een eerbetoon waren aan Franco of andere generaals die aan zijn zijde vochten, moesten verdwijnen. Maar het lukte Zapatero niet om Franco uit de Vallei te halen. De PP liet vervolgens Franco met rust. Sterker nog, een dag voor de motie van wantrouwen, keurde de minister van Justitie het goed dat de kleindochter van Franco, na de dood van haar moeder in december, de titel mag dragen van hertogin van Franco. Het was koning Juan Carlos die vlak na de dood van de dictator de adelijke titel aan de familie schonk.

Al van ver valt in de bergen het 150 meter hoge kruis op als je Madrid verlaat over de snelweg de A6. Onder het kruis is door ongeveer 2000 republikeinse krijgsgevangenen een tunnelkerk met een lengte van 262 meter uitgehakt. Onder de enorme koepel en achter het hoofdaltaar is het graf van Franco. Voor het hoofdaltaar ligt José Antonio Primo de Rivera begraven. Hij was de oprichter van de Falange, de extreemrechtse groepering die aan de zijde van Franco vocht. In een lange galerij aan de rechterkant van de basiliek die niet toegankelijk is, zijn de graven van ongeveer 30000 soldaten. In eerste instantie zouden alleen soldaten van Franco hier worden begraven, maar toen de nationalisten de nissen niet gevuld kregen, werden ook republikeinse slachtoffers naar de Vallei gebacht. Voor de basiliek ligt een enorm plein, waar Franco ieder jaar met een massale bijeenkomst de overwinning van de oorlog wilde vieren. Maar toen na achttien jaar het hele complex was voltooid, werd besloten, dat de Vallei een plaats van verzoening moest worden. Dat de Vallei van  de Gevallenen dat inderdaad is, vindt vooral de Kerk en de familie van Franco. Ook premier Sanchez liet zich in eerste instantie in die bewoordingen uit, maar hij veranderde van mening nadat een aantal voorname historici had geuit dat van verzoening in de Vallei geen sprake kan zijn. De Vallei moet een openbaar kerkhof worden, stelt Sanchez nu. Tegenstanders vinden dat er nooit van verzoening kan worden gesproken zolang Franco daar ligt. Het was overigens niet de wens van Franco om hier te worden begraven. Hij sneuvelde niet in de Burgeroorlog en hoort hier dus niet bij de gevallenen. Veel naberstaanden van republikeinse slachtoffers willen het lichaam van hun familielid weghalen uit de Vallei en een eervolle laatste rustplaats geven. Daarbij krijgen ze nauwelijks medewerking van de prior van het klooster dat aan de achterkant van de basiliek is gevestigd. De Vallei van de Gevallenen is een omstreden monument dat veel stof doet opwaaien. Een voorbeeld van het feit dat het voor Spanje moeilijk is om een van de meest zwarte bladzijden uit de geschiedenis om te slaan. Al valt dat niet op als je om je heen kijkt op het plein voor de basiliek. De Spaanse toeristen bezoeken het monument, zoals ze naar het Prado of de Sagrada Familia gaan. Voor hen is de Vallei een toeristische attractie. En niet meer dan dat.

 

Biescas in Asturië

03/09/2018

Als je op Google de naam Biescas intypt, stuurt de zoekmachine je naar de toeristische plaats in de Pyreneeën van Aragón. Biescas kreeg landelijke bekendheid toen in 1996 na hevige regenval een camping van het dorp werd bedolven onder een enorme modderstroom. De natuurramp kostte aan 87 mensen het leven. Maar typ je achter Biescas de streek Asturië in, dan komt weinig informatie tevoorschijn. Dit dorp Biescas ligt verstopt in de westelijke hoek van Asturië en is helemaal niet toeristisch. Waarschijnlijk werden vorige week alle records op toeristisch gebied gebroken toen er één Peruaanse en vier Nederlanders neerstreken. Want naast de achttien boerderijen waaruit het dorp bestaat, heeft Biescas ook één vakantiewoning. Een klein huisje vastgebouwd aan de boerderij van Marce en Ana. Acht jaar geleden bouwde het echtpaar dit huisje als onderkomen voor hun dochter als zij met vriendinnen of een vriendje uit de grote stad voor een paar dagen naar huis kwam. De romantiek van de hooiberg is ook hier verdwenen. Dochterlief kwam steeds minder vaak naar het dorp. Een vriendin van de familie kwam met het idee om het huisje aan te bieden als vakantiewoning en sinds acht jaar prijkt er nu naast de deur een vignet met V.V.; Vivienda Vacacional. Sindsdien kun je het huisje van Marce en Ana vinden op sites als Booking.com en Airbnb. 

Het is de redding voor vervallen boerderijen, verlaten dorpen en ingestorte huzien. Het turismo rural, landelijk toerisme of agrotoerisme. In Cantabrië en Asturië is het een mooie formule om kennis te maken met het leven in de bergen. Ook aan de kust worden de vakantienhuisjes aangeboden met de noemer van turismo rural, maar daar is de sfeer lang niet zo authentiek als in de dorpen en bij de boerderijen in de bergen. Marce en Ana leven niet van het toerisme. Hun inkomen halen ze uit de melkproductie van de 39 koeien die ze hebben. Ze zien de bezoekers ook niet als toeristen, maar als gasten. Vanaf het moment dat je hun straatje binnenrijdt, ontfermen ze zich over je, zonder ook maar een moment opdringerig te worden. Ze helpen je om de auto voor de de kapel te parkeren. Ana, vergezeld door haar trouwe geitje Nani, komt regelmatig aan de deur met verse melk, boter, eieren en aardappels. De kinderen mogen mee in de tractor en kunnen in de stal zien hoe de koeien worden gemelkt. En als Marce ook maar even tijd heeft, vertelt hij verhalen over bijvoorbeeld zijn vader die in de Spaanse burgeroorlog werd gerekruteerd door het leger van Franco. Of het verhaal over de keer dat hij de landbouwexperts van verschillende ambassades mocht toespreken op een congres in Valencia en in die toespraak de ambtenaren er op wees dat slechts twintig procent van de landbouwsubsidies de boeren breikt en tachtig procent door grootgrondbezitters, vaak mensen van adel, wordt opgestreken. Inderdaad stond er jaren geleden een kaartje van Spanje in de krant waarop stond ingetekend waar de Europese landbouwsubsidies terechtkomen. Dat was vooral in de wijk Salamanca in Madrid, waar veel mensen van adel wonen. 

In Biescas is dan geen bakker of een bar, maar het dorp ligt ook niet zo geïsoleerd. Bekende kustplaatsen als Cudillero en Luarca liggen op nog geen drie kwartier rijden. En op weg naar de kust kom je langs dorpen als Ferrera de Gavitos, een goed onderhouden dorp, want ooit woonde er een markies, Muñas de Arriba, waar een oude school staat met links op de gevel het woord niños en rechts niñas. Een container in de bocht van de weg, waar de eigenaar het woord ´radar´ op heeft geverfd. Je rijdt met een glimlach door de streek. Een glimlach die even verdwijnt als Marce vertelt dat hij vreest voor de toekomst van Biescas. Nu zijn er nog achttien veehouders actief. Maar zijn bedrijf zal niet woden overgenomen door de familie als hij ermee stopt en dat zal bij meer veehouders het geval zijn. Ooit lag Biescas aan de camino primitivo. Maar het pad werd omgelegd. Nu gaan de pelgrims langs grotere plaatsen als Salas en Tineo naar Santiago. Biescas raakt langzaam in de vergetelheid. Aan het begin van het dorp beginnen de tegeltjes met de dorpsnaam langzaam af te brokkelen. Hopelijk geeft deze post het dorp weer wat meer bekendheid. 

 

El Hombre Pez van Liérganes

20/08/2018

Daar zit hij, Fransisco de la Vega Casar. Een been opgetrokken, het andere been bungelt boven het water. El Hombre Pez. De man die in het water in een vis veranderde. Hij deed ons gelijk denken aan de met vier Oscars bekroonde film The Shape of Water van Guillermo del Toro die we een paar dagen eerder nog zagen. Fransisco zit in de schaduw van de middeleeuwse brug aan de rivier de Miera in Liérganes. Aan de andere kant staat een oude watermolen die is ingericht als zijn museum. Daar wordt zijn wonderbaarlijke verhaal verteld dat in de 18e eeuw voor het eerst werd opgetekend door de benedictijner monnik en essayist Benito Jerónimo de Feijo in zijn werk Teatro Critico Universal. Als kind zwom Fransisco graag met zijn vrienden in de rivier. Ook toen zijn moeder hem naar Bilbao stuurde om het vak van timmerman te leren, dook hij bijna iedere dag wel even in het water.

Zo ook aan de vooravond van de feesten van de Heilige Johannes. Zijn vrienden verloren hem al snel uit het oog en vreesden dat Fransisco was meegezogen door de sterke stroming. Maanden later werd hij gezien voor de kust van Denemarken, in het Kanaal en in de baai van Cádiz. Als een Vliegende Hollander dook hij overal op. Hij had schubben op grote delen van zijn lichaam. Vissers in Cadíz wisten hem aan wal te krijgen en brachten hem naar het Fransiscaner klooster. Daar werd hij ondervraagd, maar het enige woord dat over zijn lippen kwam was Liérganes. Niemand wist wat hij bedoelde tot de secretaris van de Inquisitie uitsluitsel bracht. Deze man kwam ook uit Liérganes en reisde met Fransisco terug naar het noorden. Negen jaar bleef Fransisco op het droge. Toen begonnen de schubben weer te kriebelen. De Hombre Pez dook in de Mieras en kwam nooit meer terug. 

Wie zijn auto op de grote parkeerplaats bij het treinstation neerzet, komt over de mooie middeleeuwse brug Liérganes binnen en ziet gelijk het standbeeld van el Hombre Pez. Maar Liérganes is veel meer dan deze mythologische figuur. Het is een aangename lommerrijke plaats met grote tuinen achter de huizen, zoals bij whisky bar Los Picos en restaurant-hotel La Giraldilla. De plaats ligt iets ten zuidoosten van Santander, aan het begin van de CA260 richting de bergen. Vanaf de middeleeuwse brug zien we al twee bergtoppen, die de bewoners las tetas noemen, de tieten. Rond het plein staan adelijke paleizen uit de tijd dat Liérganes een belangrijke rol speelde in de handel in kanonnen. Een kilometer of zes buiten Liérganes ligt La Cavada, waar in de 17e en 18e eeuw de grootste kanonnenfabriek van Spanje was gevestigd. Liérganes is zo´n plaatsje, waar je je door de rust die er heerst gelijk thuisvoelt.   

 

Het paleis van de Indianos

13/08/2018

In het Asturiaanse dorp Colombres, dicht bij de grens met Cantabrië, staat de indrukwekkende Quinta de Guadalupe. Voor de blauwe villa ligt een mooi geschoren gazon met palmbomen en hortensia´s. Het landhuis werd in 1906 gebouwd voor de rijke emigrant Iñigo Noriega Laso. Sinds 1987 is hier de Stichting Archief van de Indianos en het museum van de Emigratie ondergebracht.

Ook dit museum heeft er  zijn voordeel mee gedaan dat Spanjaarden niet snel iets weggooien. Daardoor kunnen we tijdens een wandeling door het museum genieten van prachtige zwart-wit foto´s, van bijvoorbeeld Celestino Álvarez, eigenaar van het tijdschrift El Progreso de Asturias, op de ´preekstoel´ in de Cubaanse sigarenfabriek van Romeo en Julia, waar hij 43 jaar onafgebroken voorlas uit zijn tijdschrift.  In de zaal van de Cubaanse emigranten staat ook een maquete van het Centro Asturiano. Dit gebouw,  aan het Parque Central in Havana, staat er nog steeds en heeft niets van zijn glorie verloren. Oude koffers, vaandels van culturele centra, affiches van de stoomboten die van Spanje naar Amerika voeren met de vaartijden, tarieven én de mededeling voor de passagiers naar Buenos Aires, waar het asielzoekerscentrum is gevestigd en dat daar de eerste nachten na aankomst gratis kan worden verbleven.

In de trappenhal hangt de ingelijste tekst ¨Verboden over Politiek te praten´. Om politieke reden emigreerden in de 19e eeuw en na het uitbreken van de Spaanse Burgeroorlog in 1936 veel  Spanjaarden naar Las Indias, zoals Spanje de overzeese gebieden bleef noemen. Vandaar de naam los indianos voor deze emigranten. Ik schreef al eerder over het ´Spaanse kwartier´ in de avendia de Mayo van Buenos Aires waar regelmatig de stoelen door de restaurants vlogen als een politieke discusie uit de hand liep. Spanje werd in de 19e-eeuw getroffen door talloze conflicten tussen de verschillende stromingen als monarchisten, conservatieven, liberalen, republikeinen, nationalisten en regionationalisten. Een andere reden om te emigreren was de armoede op het platteland. Maar aan boord waren ook veel gelukszoekers, zoals Iñigo Noriega Laso, die op 14-jarige leeftijd naar Mexico vertrok. Een legende vertelt dat het begin van zijn successen begint,als hij het voor elkaar krijgt een wet te veranderen die bepaalt dat alle kroegen om twaalf uur ´s nachts moeten sluiten. Maar zijn belangrijkste succes was dat hij in de gunst viel bij dictator Porfirio Díaz. Onder zijn bewind klom Iñigo op tot een vermogend zakenman. Hij was eigenaar van mijnen, textielfabrieken en spoorlijnen. Hij liet de vallei van Chalco droogleggen om het in te richten als een groot landbouwgebied en in zijn geboorteplaats Colombres liet hij de Quinta de Guadalupe bouwen, genoemd naar zijn echtegenote Guadalupe Castro. Deze villa is een van de voorbeelden van de rijke erfenis van de indianos.