Posts Tagged ‘Toledo’

Een nacht in Toledo

17/12/2013

104

´Het is rustig vanavond, eh´, zegt de jongen achter de bar, terwijl hij mijn gintonic klaarmaakt. Ik kijk om me heen. Twee barkrukken verderop zit de uitsmijter. Óf deze forse man heeft net voor mijn binnenkomst zijn werk héél goed gedaan óf geen enkele Toledaan weet vanavond deze bar te vinden. Het verbaast me niet, het is half één in de nacht tussen twee doordeweekse dagen en de bar ligt in de oude stad van Toledo. Daar zie je als het avondschemer is overgegaan in de donkere nacht niemand op straat, dus ook niet in een bar. Toledo is een museum, waar rond zes uur ´s avonds de laatste toeristen vertrekken, meestal terug naar Madrid. Vandaag was dat een groepje Japanners, die we tegenkwamen bij het museum van de Concilies en de Visigotische cultuur en later zagen we ze wandelen op de brug van San Martin. En dan, als de laatste toerist is verdwenen, dan komt Toledo tot leven. Dan sluipen de geesten van de Heilige Idelfons, van kolonel Moscardó, van de schrijver Cervantes, van de joodse schatbewaarder Samuel Levi, van de schilder El Greco, van kardinaal Mendoza en van koning Alfonso VI uit de harnassen die voor de toeristenwinkels staan en waar ze zich de hele dag schuilhouden. Een nacht in Toledo is als de de film A Night at the Museum.

151In de laatste vijf jaar ben ik meer dan dertig keer in Toledo geweest. Maar nooit had ik er overnacht. Altijd bezoeken we de stad vanuit Madrid. ´s Ochtends om 09.00 uur op weg en ´s avonds om 18.00 uur weer terug in het hotel. Of op doorreis van Granada over de vlakte van La Mancha naar Madrid. En dan kun je in Toledo niet meer doen dan dat de meeste toeristen doen. Starten op het plaza de Zocodover, door de calle de Comercio naar de kathedraal. Doorsteken tussen gemeentehuis en bisschoppelijk paleis naar de calle Santo Tomé en de gelijknamige kerk, waar het beroemde doek van El Greco hangt, de Begrafenis van de Conde de Orgaz. Dan door San Juan de Dios en Samuel Levi langs de synagoge El Tránsito, om door de de calle Reyes Católicos naar de syanago Santa Maria la Blanca en de kerk San Juan de los Reyes te gaan. Vandaar is het nog een korte afdaling naar de brug van San Martín, waar aan de overkant de bussen klaar staan om de bezoeker weer terug te brengen naar Madrid. Meer past er niet in een dag.

Waar moet je beginnen als je de stad echt wilt leren kennen. De momumenten uit verschillende perioden van de geschiedenis staan naast of op elkaar in een klein doolhof. Romeinen, Visigoten, Moren, Christenen, joden, hoe diep wil je graven in de Spaanse geschiedenis. Toledo is het decor van het Spaanse verleden, de decorstukken staan er nog, de hoofdrolspelers vertrokken in de 16e eeuw met het hof van Filips II naar Madrid. Een vernedering voor de keizerlijke stad. Daar ligt Toledo, nog steeds op een voetstuk gelegen, omsingeld door de rivier de Taag, die de tranen meevoert naar de Atlantische Oceaan van degenen die nog steeds wenen om het noodlot van Toledo, of om hun eigen noodlot. De tranen stromen uit de kelders onder de Joodse 154wijk en aan de andere kant van de stad, waar ooit de medina was en waar nu nog de voormalige moskee van Cristo de la Luz staat. De legende vertelt dat toen koning Alfonso VI in 1085 de stad binnentrok, zijn paard knielde voor de moskee. Zijn soldaten trokken naar binnen en werden verrast door een fel schijnend licht. Men begon onder de grond te zoeken en daar vond men in een crypte een kruisbeeld dat na vier eeuwen nog steeds door een lamp werd beschenen. Misschien moet hier het bezoek aan Toledo beginnen. Want deze voormalige moskee, waar later de Christenen een halfronde absis voor het hoofdaltaar aan toevoegde en de moskee inwijdde als hermitage, is het oudste gebouw van de stad, daterend uit de 10e eeuw. Maar als we de hermitage uitlopen, stuitten we op een nóg ouder Toledo. Twee werklieden zijn de laatste granieten blokken van de Romeinse weg aan het schoonvegen. Deze weg liep vroeger door tot het hoogste punt in de stad, waar nu het alcázar staat, gesticht door keizer Karel V, op de plaats waar de Moren hun alcazaba hadden en waar daarvoor de Romeinen hun fortificatie hadden gebouwd. En zo is het verhaal in Toledo steeds weer hetzelfde. Het begrip recycling is hier al eeuwenlang bekend.

Het alcázar werd in de Burgeroorlog bijna helemaal vewoest. Een grootscheepse restauratie gaf 121het imposante bouwwerk van de architect Covarubias zijn glans weer terug. Aan de noordzijde werd een paar jaar geleden een strakke vleugel aan het gebouw toegevoegd. Daar is nu de ingang van het militair museum. Als je om het alcázar heenloopt, kun je niet anders dan er tegenop kijken. Het alcázar domineert het stadsbeeld. Dat is wel duidelijk als je op het uitzichtspunt staat aan de zuidkant van de stad. Alleen de toren van de kathedraal en de kerk van San Idelfonso, de voormalige jezuïetenkerk, mogen wedijveren met het alcázar. Het zijn de gebouwen die houvast geven aan de bezoeker die niet de geëffende paden wil volgen of die zich niet wil laten commanderen door de roze bordjes van het bureau van Toerisme. Het is de enige manier om Toledo echt binnen te dringen. Zeker wanneer je de wandeling maakt buiten het toeristenseizoen én na een uur of zes ´s avonds. Dan vallen ook de restaurants en café´s pas op waar de handvol locals naar toekomen die de oude stad bevolken. De restaurants die van het toerisme leven, sluiten bijna allemaal vroeg in de avond. Zo ontdekten we café La Malquerida, in een zijstraat, tegenover de kloostermuur van de kathedraal en het restaurant Trébol, in een zijstraat bij het plein van Zocodóver, dat iedere avond vol loopt, en waar we heerlijke gevulde aardappels en een rosca met gehakt van hert aten. Op de terugweg naar ons hotel, gelegen aan de rand van de oude joodse wijk aan de andere kant van de stad, besloot ik om nog wat door de straatjes te zwerven, stiekem hopend om hetzelfde mee te maken als Gil in de film Midnight in Paris van Woody Allen. Maar er stopte geen auto om me een lift te geven naar het middeleeuwse Toledo. Deze avond zou ik El Greco niet ontmoeten.

De verdrijving van de kerk uit het fiscale paradijs

14/03/2012

Direct achter de ingang van de kathedraal van Madrid staat deze urn. Heb er lang over nagedacht hoe het ik het ding moest omschrijven. Een kist klinkt wat oneerbiedig, een doos is het ook niet. Om in de sfeer te blijven van de omgeving is urn misschien de beste typering. Ook omdat het ding op een stembus lijkt en die heten in het Spaans urna. Wie een beetje fors van gestalte is, moet zijn buik inhouden om het gevaarte niet om ver te lopen. De urn staat niet voor niets zo hinderlijk in de ingang. Het is een dwingende manier om de bezoeker te vertellen dat er een donatie wordt verwacht. Het deed me denken aan de priesters die in de kathedraal van Santiago de Compostela de stok met het daar aan bungelende collectezakje altijd zo dicht mogelijk onder de neus van de parochiaan houden. De bezoeker hoeft niet na te denken over hoe groot of klein die donatie moet zijn. Een euro staat er op een wit papier. En voor wie zich afvraagt waar dat geld blijft, staat er achter de urn een groot blauw bord dat vertelt dat de donatie voor het onderhoud van de kathedraal is.  Zit de kerk krap bij kas? Als je naar de cijfers kijkt, lijkt dat mee te vallen. De Spaanse staat maakt jaarlijks een bedrag van 248,3 miljoen euro over naar de kerk. Bij de aangifte kan de belastingbetaler met het zetten van een kruisje 1% van zijn belasting naar de kerk laten gaan. Daarnaast betaalt de kerk geen onroerendgoedbelasting. Maar daar kan binnenkort weleens een einde aankomen. Door de crisis moet het geld overal vandaan komen en de kerk kan zijn bevoorrechte positie verliezen, nu de Italiaanse premier Monti de kerk uit het fiscale paradijs wil zetten. Volgens belastingdeskundigen zou de Spaanse fiscus tussen de 2 en 2,5 miljard meer kunnen binnenhalen als ook de kerk OZB gaat betalen, IBI in het Spaans. Het onroerend goed bezit zou volgens de historicus Stanley G. Paine uit 100.000 bezittingen bestaan, waarvan 5000 religieuze gebouwen (o.a. 300 musea en 103 kathedralen).  De kerk haalt ook aardig wat binnen aan entreegelden. Afgelopen maandag was ik in Toledo (daar kost een kaartje 7 euro) en zag in een kleine tien minuten tijd vier groepen van zo´n 30 personen de kathedraal binnen gaan. Voor zover ik weet wordt het duurste kaartje bij de Sagrada Familia in Barcelona verkocht, 13 euro betaalt de individuele bezoeker daar. In Sevilla kost een kaartje voor de kathedraal 8 euro. De kathedraal van Madrid is (voorlopig?) nog gratis toegankelijk.

Een reclamekaravaan trekt door Spanje

30/08/2011

En dan heb ik het niet over die stoet van sponsoren die voor de wielrenners uitgaat, de reclamewagens die regelmatig een kind aanrijden en de toeschouwer bedelft onder goedkope rommel van petjes en waaiers en daarmee de meest ernstige vorm van hebzucht in de mens laat boven komen. Met de reclamekaravaan bedoel ik de cameramannen en -vrouwen die vanuit helikopters, achter op motoren en vanaf hoge stellages de televisiekijker trakteert op prachtige plaatjes van Spanje. De Vuelta a España is naast een strijd om de rode trui ook een reclamefilm over Spanje. Een vriend die de wielerronde volgt op de Belgische televisie vertelde me dat hij na de etappe van zondag, die door het hamdorp Guijuelo ging, alles weet over de jamón serrano, omdat de Belgische verslaggevers zich niet beperken tot louter informatie over de wielrenners en de etappe.  Als ik met met mijn groepen naar de stad  Ávila rij, dan blijken veel mensen bij het zien van de stadsmuren opeens de stad al te kennen van de Vuelta, waar de wielrenners altijd langs de stadsmuren rijden. En als ik het in Toledo over het keizerlijke wapen van Karel V heb, de adelaar met de dubbele kop, wordt me regelmatig gevraagd of ik ook de adelaar van Toledo ken, de wielrenner Federico Martín Bahamontes die in 1959 de Tour de France won en een klein wielermuseum in Toledo heeft. De Ronde van Spanje begon dit jaar letterlijk op het strand van Benidorm en zal voor het eerst sinds tijden weer naar het Baskenland gaan, omdat het daar weer veilig lijkt te zijn nu de ETA al twee jaar geen aanslagen heeft gepleegd. In het Baskenland hopen ze dat na de wielrenners ook de toeristen zullen komen. De directeur van de Vuelta sprak op de vertrekdag in Benidorm de wens uit om binnen een paar jaar te starten op een van de Canarische eilanden, bijvoorbeeld bij de oude vulkaan de Teide op Tenerife. Gisteren kwam de wielerkaravaan naar Salamanca, waar de individuele tijdrit werd gehouden. De stad had geen betere plaats voor de finish kunnen bedenken dan op de Plaza Mayor, voor het gemeentehuis. Het hele parcours was een mooi visitekaartje voor de stad. De wielrenners kwamen na hun tocht langs weilanden met steeneiken over de Romeinse brug de stad binnen. Vervolgens reden ze langs het art decomuseum Casa Lis en tot slot door de calle San Pablo, langs de kerk van Stefanus, waar het graf van de IJzeren Hertog van Alva  is, naar de Plaza Mayor, volgens de Belgische verslaggevers het mooiste plein van Spanje. Voor ons Nederlanders in Salamanca was het leuk meegenomen dat een landgenoot in de rode leiderstrui het plein kwam oprijden, al moest Bauke Mollema op hetzelfde plein het rood weer inleveren. Veel Spanjaarden die langs de truck van Rabobank kwamen, waar Mollema zich voorbereidde, herkende de Groninger pas na het bestuderen van de fanfoto´s. De Spaanse wielrenners van de Rabobank, Carlos Barredo en Luis León Sanchez kregen meer aandacht. Benieuwd of zij hun Nederlandse ploegmaten hebben uitgelegd wat het eerste gedeelte van de naam van de sponsor, Rabo, in het Spaans betekent. Letterlijk betekent het staart, maar het woord wordt ook populair gebruikt voor het mannelijk geslachtsdeel. Als Luís León of Carlos de grap zou maken, zouden we dat zomaar kunnen horen, want de wielrenners zijn altijd dicht bij het publiek. De sfeer rond de truck van Rabobank was de hele dag ontspannen. Echtgenoten en vriendinnen van de wielrenners liepen de truck in en uit of zaten naast hun geliefde aan een bekertje koffie. De wielrenners bereidden zich op de hometrainer voor de truck voor met tegenover zich de toeschouwers. Dat zullen we in de kleedkamers van FC Barcelona en Real Madrid wel nooit zien, dat de supporters zo maar even binnenlopen als Ronaldo op de massagetafel ligt of als Guardiola zijn spelers de laatste instructies geeft.

Restaurant van de twee culturen

26/04/2010

Het is iedere keer weer even flink doorstappen. En dat valt niet mee in de smalle straatjes van Toledo, waar je je ook nog eens door groepen toeristen moet heen wurmen. Maar het restaurant ligt nu eenmaal buiten de toeristische route en sinds ik het vorig jaar ontdekte, is het mijn vaste lunchadres geworden in Toledo. Het is een klein restaurant, taberna-fusion La Cancela en ligt niet eens zo erg verscholen dat het niet te vinden zou zijn. Helemaal niet nu veel toeristen via de nieuwe roltrappen bij de Puerta de Sol de stad binnenkomen en er dan bijna langslopen. Het restaurant ligt aan de Venancio González, de straat die van de Puerta de Bisagra omhoog gaat naar de plaza de Zocodover. Op dat plein beginnen de meeste gidsen hun wandeling om er daarna niet meer terug te komen. Veel groepen gebruiken de lunch zelfs buiten Toledo. Ondanks dat het hoogseizoen is, was ik weer de enige in het restaurant, terwijl de keuken voortreffelijk is en ook weer net iets anders dan de restaurants in de stad die vooral toeristenmenu´s aanbieden. Zoals Toledo met het rijke christelijke, joodse en islamitische verleden de stad van de drie culturen wordt genoemd, zo verenigt het jonge stel dat het restaurant runt de twee culinaire culturen van La Mancha en het Middellandse zeegebied. En de kaart varieert regelmatig, dus er is iedere keer wel weer een aangename verrassing op de menukaart te ontdekken. Vandaag waren dat de met kabeljauw gevulde paprika´s, gelegd in een creme van gekarameliseerde uitjes. Een moderne keuken in het openluchtmuseum dat Toledo eigenlijk is en waar volgens de richtlijnen van UNESCO zoveel mogelijk bij het oude moet blijven. Gelukkig geldt dat niet voor de restaurants in Toledo.  

Een facelift voor Toledo

05/02/2010
El Greco keek langs zijn schilderij en zag dat het goed was. Zojuist had hij een van de mooiste uitzichten ter wereld op het doek gebracht. Hij zat aan de overkant van de Taag en keek uit over Toledo, keizerlijke stad met haar robuuste alcázar en gotische kathedraal, waarvan de toren triomfantelijk boven de stad uitsteekt. Een stad die krioelt, waar het eenvoudig verdwalen is in de smalle straatjes. Wat El Greco in 1608 schilderde en twee jaar later vanuit een ander perspectief vastlegde, is hetzelfde panorama dat eeuwen later door duizenden, misschien wel miljoenen toeristen op de foto is gezet.
 
Het uitzicht op Toledo behoort tot een van de mooiste schouwspelen ter wereld, zoals het uitzicht vanaf hotel Los Jazmines op de tabaksstreek in de vallei van Viñales op Cuba dat ook is, of het uitzicht vanaf het pleintje van San Nicolás op het Alhambra met op de achtergrond de Sierra Nevada in Granada.
 
Vooral het idee dat sinds de tijd van Doménikos Theotokópoulos, of El Greco voor de Spanjaarden, bijna niets aan Toledo is veranderd, maakt het uitzicht zo bijzonder.
Maar daar komt dus nu verandering in. De plannen liggen al klaar, meldde El País gisteren. Over een paar jaar kunnen we vanaf het uitzichtpunt van El Greco aan de rechterkant een kabelbaan de stad in zien zweven en aan de linkerkant zien hoe een andere kabelbaan opstijgt vanuit de Taag richting het parkje achter de voormalige synagoge van Tránsito.
 
Aan de oever komen restaurants, picknickplaatsen, liften en roltrappen. Over de rivier worden loopbruggen gelegd. Zoals Barcelona in de jaren negentig zijn gezicht naar zee draaide, zo wil Toledo naar de Taag. En dat gaat nu nog moeilijk. Op sommige plaatsen in de stad is het niveauverschil meer dan vijftig meter, gaat het afdalen door straatjes die steil naar beneden lopen, of, nog vervelender, naar boven.
 
Weg fijn stekje om even uit het toeristische gekkenhuis, dat Toledo soms is, te ontsnappen en weg te dromen in het gras bij de rivier, waar verder niemand komt omdat de afdaling zo steil is. Weg middeleeuws uitzicht vanaf de overkant van de Taag.