Posts Tagged ‘Castro Urdiales’

De rode zeebrasem van de heilige Andreas

27/11/2018

De brede glmlach op zijn gezicht verraadt dat hij in een opperbest humeur is vandaag. Achter zijn rug, ook al zo breed, worden de kerk en het kasteel steeds kleiner. Hij heeft het net zo naar zijn zin als de kinderen die hij in zijn sloep door de haven mag varen, langs vissersboten en plezierjachten. Het is een prachtige dag, zeker voor eind november. Wat wolkjes aan de verder strakblauwe lucht. Dit wordt zijn week, de week van de vissers. Op school hangen in de hal geen kleurplaten van sinterklaas, maar van de rode zeebrasem, de besugo. Van oudsher begon vanaf eind november de vangst van deze vis, op de dag van de heilige Andreas, 30 november. De eerste kerk die in de elfde eeuw in Castro Urdiales werd gebouwd, was gewijd aan deze heilige. En in deze kerk gingen de vissers bidden voor een behouden vaart en een goede vangst. Daarom is vrijdag een feestdag in Castro Urdiales. Hier geen pepernoten, maar slakken die worden aangeboden door het gilde van vissers.

Ook Pepe is lid van het gilde. Hij mocht zaterdag de excursie van de kinderen organiseren, langs de visafslag, het museum van de Visserij en de Zee, de kerk, het kasteel en tot slot de boottocht. En net als de kinderen genoot hij van het laatste onderdeel nog het meeste. Met een aantal kornuiten heeft hij in de calle de San Juan, de oudste straat in de historische kern van Castro, ook een klein museum ingericht dat vol staat met alles wat je maar kunt bedenken dat een visser nodig heeft op zee. Het gilde heeft bij de gemeente regelmatig aangedrongen om eens een echt museum te openen, maar dat blijft voorlopig een illusie. Van een gemeente die zijn culturele erfgoed, zoals het oude theater en het treinstation, met de grond gelijk maakt, hoef je niet te verwachten dat ze ook maar een euro investeren in het oprichten van een museum. En misschien is het maar beter ook. De schuur van Pepe en zijn kameraden en de zolder van het gilde dat officieel wel museum heet, zijn ruimten, die leven. Geen steriele vitrines van glas, maar oude boten waarin de collectie staat uitgestald. Netten en boeien die aan de muren hangen. Prachtige zwartwit foto´s van de vissersplaats Castro Urdiales die niet meer bestaat. Het ruikt er muf, maar ook naar zilt van de zee. Onze kinderen kijken hun ogen uit. Hun vader groeide op tussen de boomgaarden in de Betuwe, hun moeder op de flanken van de Andes. Maar zij werden hier aan zee geboren en groeien hier ook op. En misschien zullen ze hier ook wortel schieten, of beter gezegd, hun anker uitwerpen. 

Anuncios

Het mooiste kerkhof van Spanje

04/11/2018

Een kerkhof met uitzicht op zee heeft altijd iets speciaals. Zielen die wachten om te veranderen in een bootje om naar het hiernamaals te varen. Dat zou ook een verklaring zijn voor de naam van de Costa do Morte, de kust van de dood in Galicië, waar ook de kaap van Finisterre ligt. Daar aan de kust gaat het niet alleen over het einde van de wereld, maar ook over het einde van het leven en het begin van het hiernamaals. Ieder jaar rond de dag van Allerheiligen verschijnt in verschillende Spaanse media de top 10 van mooiste begraafplaatsen. Altijd zijn er wel een paar bij die aan de Cantabrische kust liggen; Luarca, Comillas, of het kerkhof van ons eigen Castro Urdiales. Vreemd genoeg wordt het camposanto van Barro altijd overslagen. Het ligt dan weliswaar niet aan zee, maar wel aan het water. Aan de Ría van Barro, tussen de dorpen Barro en Niembro en niet ver van Llanes, een populaire vakantieplaats in Asturië. Het kerkhof ligt voor de 18e-eeuwse kerk van Nuestra Señora de los Dolores.

Bij de voorbereiding op het schrijven van een reisgids over Asturië en Cantabrië had ik op internet al wat foto´s gezien van het bijzondere kerkhof van Barro. Het was zaterdag, twee dagen na Allerheiligen, een goede dag om het kerkhof ook eens te bezoeken. De begraafplaats was veranderd in een bloemenzee. Geen rouwkransen, maar fleurige boeketten, sommigen in de vorm van een hart. Alsof het geen najaar was, maar voorjaar. De kleine begraafplaats wordt omringd door water, dat zich terugtrekt als eb begint. Vissers laten hun bootjes achter op een drassig stukje land pal naast de muren van het kerkhof. Boven op de muren staan drie pantheons. In één daarvan ligt de rijke indiano Anselmo Martínez Carrera, die zijn fortuin vergaarde in Mexico en de bouw van de kerk financierde. Het kerkhof ligt een tiental treden lager dan de kerk, waardoor je vanaf een soort balkon voor het hoofdportaal van de kerk uitkijkt over de graven. Keurig gerangschikt lijken ze te wachten tot ze aan hun laatste reis over het water kunnen beginnen. Aan de zijkant van de kerk staat een lange muur, waarin de kisten boven elkaar staan. Een manier van begraven die je veel ziet in Spanje, met als beste voorbeeld misschien wel het grote kerkhof van Barcelona dat aan de zeekant van de berg van Montjuic is ingericht. Ook ons kerkhof in Castro Urdiales heeft van zulke ´ladekasten´. Van dit kerkhof zijn de twee foto´s onder deze post. Om even te laten zien dat niet alleen het kerkhof van Barro het mooiste kerkhof van Spanje is. 

Het rode goud blinkt niet meer

23/10/2018

Ze konden het zo van het strand opscheppen. Bij iedere schep hoorden ze de kassa rinkelen. Maar die tijd is voorbij. De prijs van de roodalg is behoorlijk gekelderd. Kregen ze eerst nog 2,50 euro voor een kilo gedroogd roodwier, nu brengt dezelfde hoeveelheid amper tachtig cent op. Maar toch blijven ze scheppen aan de Cantabrische kust. De zilte geur dampt van de hopen roodalg af. Caloca heet de roodalg hier aan de Spaanse noordkust. Tot zo´n vijftien jaar geleden was de verkoop van deze alg een aardige bijverdienste, maar niet meer dan dat. Tot de rode smurrie in de mode raakte als bindmiddel. De alg werd populair in de wereld van de gastronomie, de cosmetica en de farmacie. Je kunt de alg terugvinden in levensmiddelen onder de code E-406, zoals mayonaise, kaas, puddingpoeder en bier. De substantie die vrij komt na het koken van de roodalg heet agar-agar, een woord uit het Maleis dat gelei betekent. In de 17e eeuw werd het bij toeval ontdekt toen iemand een soep kookte, waarin roodalg zat. De Nederlandse koopvaarders namen het mee naar Europa. 

De oogst vindt plaats in september en oktober als de zee bij springtij de alg op het strand braakt. De man op de foto boven deze post heeft hier in Castro Urdiales samen met zijn kameraad het monopolie op de handel in coloca. Ze schrapen de alg op grote hopen en voeren het met een tractor af. Dit jaar hadden ze geluk. Door het goede weer konden ze de alg droog aanleveren, waardoor ze een iets hogere prijs zullen krijgen. En dat geldt ook voor hun tientallen collega´s die op andere stranden aan het werk zijn. In de zee voor plaatsen als Comillas en San Vicente de la Barquera gaan tractoren de zee in om de alg uit het water te dreggen. Van nauwelijks bereikbare strandjes wordt de oogst vanaf de kliffen omhoog getakeld. Er wordt hard gewerkt, ondanks de lage prijs die ze krijgen voor dat werk, veroorzaakt door de concurrentie uit Marokko en de Chinezen die een alternatief voor de agar-agar hebben ontwikkeld. 

Zonnen op de helling

30/09/2018

Merkwaardig. Ons dorp Castro Urdiales is gezegend met twee stranden, maar toch rollen veel mensen hun handdoek uit op het beton van de helling onder de middeleeuwse kapel van Santa Ana. Ze gaan het water in tussen de plezierjachten en vissersboten die in de haven liggen. En als je vraagt waarom ze het doen is het antwoord vaak dat ze niet beter weten. Dat ze hier als kind al kwamen. Dat dit hun plaats is. De stranden zijn voor de stadsmensen uit Bilbao. En daarom is Castro Urdiales een dorp. De vissersplaats mag dan ooit van een koning stadsrechten hebben gekregen, de sfeer in de plaats is die van een dorp. Bilbao is de grote stad op 35 kilometer afstand. Castro Urdiales heeft 35000 inwoners, maar in de zomer verdubbelt dat aantal, als de mensen uit Bilbao intrek nemen in hun vakantie-appartement en er vooral Franse en Spaanse toeristen naar de kustplaats komen. Ieder half uur vertrekt er een bus naar Bilbao en ieder ochtend rijden schoolbussen naar de Baskische stad. Als Athletic de Bilbao speelt, hangt bij de barren de roodwitte vlag buiten, zodat we weten dat we daar de wedstrijd op televisie kunnen zien. Terwijl onze hoofdstad toch Santander is. Maar die stad lijkt veel verder weg dan de 65 kilometer die op het bord net buiten Castro  langs de snelweg staat. Het is een hele onderneming om met de streekbus Santander te bereiken. De kinderen voetballen op de pleintjes in een shirt van Athletic. Niemand wil een speler van Racing Santander zijn. In de vroege middeleeuwen waren Castro Urdiales en Bilbao eigendom van dezelfde heer, Don Diego López de Haro, Heer van Vizcaya. Bij een herindeling in de twintigste eeuw zou Castro Urdiales zijn aangeboden aan de Basken, maar die voelen niets voor de adoptatie van de kleine vissersplaats. De vreedzame invasie van de inwoners van Bilbao, die vooral in de jaren negentig goed op gang kwam, heeft de lokale economie geen windeieren gelegd. Van enige wrijving tussen Cantabriërs en Basken is in Castro niets te merken. Maar de stranden zijn voor de mensen uit de grote stad. Op de helling zonnen de dorpelingen van Castro Urdiales. 

De tapasader van Castro Urdiales

21/07/2018

De foto boven deze post is een sfeerbeeld van de straat La Rua bij ons in het dorp. Samen met de straat Ardigales, die in het verlengde loopt is het de tapasader van ons dorp. Een meer dan geschikte straat voor pintxopote, een Baskisch woord voor een kroegentocht met in iedere bar een wijntje of biertje met een hapje. Het Baskenland staat bekend om zijn tapasstraten, zoals in de oude wijken van Bilbao en San Sebastián. Laatstgenoemde plaats heeft de hoogste concentratie aan tapasbarren in de oude wijk van heel Spanje.  Na een bezoek aan een stuk of vijf barren heb je een aardige maaltijd bij elkaar gegeten en begint de wijn ook zijn tol te eisen. Dus je moet een keuze maken en dat valt niet mee met zo´n groot aanbod. Meestal kom je bij dezelfde barren, omdat ook vrienden daar naar toe gaan of omdat het vertrouwd en altijd goed is. Als we in Ardigales beginnen, is de eertse halte bar Javi. Deze bar heeft het grootste en meest gevarieerde aanbod aan tapas. Op een zaterdag worden ongeveer 240 tapas geserveerd. Naast bar Javi zit het beste restaurant van Castro Urdiales, La Arboleda. Voor de deur staat een vitrine waarin een vers zeebanket in het ijs ligt. Schuin tegenover heeft de eigenaar van La Arboleda Casa Pili overgenomen. Pili sneuvelde na de uitzending van het programma Pesadilla en la cocina, de Spaaanse variant op Herrie in de Keuken. Het nieuwe restaurant heet El Nuevo Funi en de specialiteit is paella, waarmee het restaurant een grote concurrent is voor Don Quichote, die dezelfde specialiteit heeft en ernaast is gevestigd.

Een stukje verderop in de straat zit sidreria Marcelo, dat al jaren het beste vlees van Castro aanbiedt. Als je een menu bestelt, kun je onbeperkt cider tappen uit het vat. Naast Marcelo zit de Lechería, een favoriet voor ouders met kinderen om kip te eten. Een stukje voorbij Marcelo is de populaire nachtkroeg La Noche, een mooie bruine kroeg van de Catalaanse eigenaar Carlos. Na La Noche eindigt de straat Ardigales bij de calle Santander. Aan de overkant begint La Rua met nog meer tapasbarren. El Figon Rosa, la Bodeguita, El Quinto Pino, La Vineria, Kike-U2, La Marinera. De Rua eindigt bijna ín de bar La Kaloka die op de kop van de straat is gevestigd. Net voor La Kaloka zit in de zijstraat Nuestra Señora de bar La Fuente, waar de specialiteit tortilla de patatas is. De tortilla wordt steeds vers uit de keuken van een aanpalend pand op de toog van de bar gezet. En dan zijn in deze route de barren rond het plein van het gemeentehuis in de haven nog niet eens opgenomen. La Cierbanata, la Goleta, Los Chelines, het befaamde restaurant El Marinero en Alfredo. En dan hebben we het ook nog niet gehad over de txistorra van bar Artxanda, de Argentijnse empanadillas van Los Bocaditos en alle andere barren die ongetwijfeld een bezoek meer dan waard zijn. Misschien moeten we die maar bewaren voor een volgende post. Zo blijft het schrijven van een blog een heerlijke bezigheid.

Een tuinhuis vol speelgoed

16/07/2018

Zo rond half elf gaan de deuren open. Tafeltjes en krukjes worden buiten gezet. De eerste kinderen komen met hun vader, moeder, opa en/of oma het parkje binnenwandelen. Ze snuffelen even in het tuinhuisje en komen dan naar buiten. Met een kleurplaat, een raceauto, ganzenbord of badmintonrackets. Ook al is het prachtig weer en is het strand dichtbij, iedere dag zijn alle krukjes bezet. In twee parken in ons dorp worden ieder jaar bij het begin van de zomervakantie de tuinhuisjes neergezet en volgestouwd met speelgoed. Je zou denken dat dit een initiatief is voor kinderen uit arme gezinnen die zich geen speelgoed kunnen veroorloven, maar niets is minder maar. Deze ludotheken moeten de kinderen niet ván de straat maar juist óp de straat houden. Spanjaarden zijn graag buiten. Parken, pleinen en barren zijn sociale ontmoetingsplaatsen. En dat geldt ook voor dit kleine speelgoedparadijs. Een paradijs, waar de begeleidsters niet bang hoeven te zijn dat het speelgoed stiekem mee naar huis wordt genomen en waar ouders en grootouders aan het einde van de ochtend en middag helpen om het speelgoed weer op te bergen. 

De belangrijkste reden om deze ludotheken te organiseren is om te voorkomen dat kinderen zich gaan vervelen, want hun zomervakantie is lang. Op vrijdag 22 juni renden de kinderen voor het laatst uit school en op maandag 10 september begint het nieuwe schooljaar. Elf weken vakantie. Geen werkende vader en/of moeder die zo´n lange vakantie heeft. Dus opa en oma worden ingeschakeld, kinderen worden naar zomerkampen gestuurd, niet alleen om te spelen, maar ook om bijvoorbeeld Engels te leren. Ook de gemeente van ons dorp organiseert deze zomerkampen, de zogenaamde campamentos urbanos. De animo is zo groot dat er wachtlijsten zijn. De kinderen mogen maximaal een maand deelnemen. Van negen tot één duren de activeiten. Zo wordt er weer een dagdeel van de lange vakantie ingevuld. Onder het afdak van de sporthal in onze straat zitten een paar keer per week een stuk of tien kinderen met twee ouderen aan twee lange tafels. Het is een klein klasje dat schaakles krijgt.      

Bij de buren, maar niet op de koffie

23/03/2018

Het was al heel wat dat we over dit landgoed, halverwege onze straat, mochten rondlopen; door de tuin, langs het zwembad en over het terras achter het paleis. Ruim twee jaar geleden plaatste ik een blog over dit paleis van Ocharán, een rijke industrieel uit Bilbao. Toen bleven de hekken in de dikke hoge muren nog hermetisch gesloten. Maar nog geen twee maanden na die publicatie mocht mijn oudste zoontje opeens wel met zijn klas naar binnen. Schoorvoetend begon de eigenaar van de familie een belofte aan de gemeente in te lossen. De familie De la Via, eigenaar van een grote steengroeve net buiten ons dorp zou in ruil voor de uitbreiding van de groeve, een deel van de tuinen openstellen voor het publiek. Maar dat is lastig te organiseren zonder nieuwe hoge muren te plaatsen tussen het openbare en het privé-gedeelte van het landgoed. Een paar maanden geleden werd besloten dat de gemeente twee keer per maand een rondleiding mag organiseren voor maximaal 25 personen per groep. De familie van het paleis bepaalt de data dat bezoekers welkom zijn.

Gisteren waren wij een van de uitvekorenen. De gids vertelde vooral over de verschillende bomen en planten. De arme man werd al snel tegenover de hele groep terecht gewezen, of beter gezegd, terechtgesteld, door drie mannen die net iets beter op de hoogte van de flora aan de groene kust. Een bijzonder detail is dat het zwembad, op de foto boven deze post wordt gevuld met zeewater dat met een sterke instalatie hoog de heuvel wordt opgepompt waar het paleis staat. Zoals al ik in mijn eerdere post schreef, is het paleis en het kasteel ontworpen door Eladio Laredo, een lokale architect, die leefde en werkte in de tijd van Jugendstil en Modernisme. Het paleis is een mengelmoes van neo-stijlen; moorse bogen, barok, classisisme, aangekleed met tegeltjes van keramiek. Daardoor waan je je het ene moment in Sevilla, dan weer in Portugal en ineens sta je voor een paleis van Paladio in Italië. Verscholen in een hoek van de tuin staat een neo-romaanse kapel. Daar was ook de uitgang, waar we het landgoed verlieten op het moment dat de gids nog even verhaal haalde bij de drie betweters.  

Sneeuwpop onder een palmboom

01/03/2018

 

Of wat er nog van over is. Een ééndagssneeuwpop. Gisteren gebouwd en vandaag al weer bijna helemaal gesmolten. Gij zijt water en gij zult tot water wederkeren. Achter de sneeuwpop stroomt het vloeibare overschot richting de bron, de Cantabrische zee. De sneeuwpop staat op de plaats waar we zondag nog heerlijk op het terras zaten, genietend van een txakoli, de Baskische witte wijn. Maar op woensdagochtend bereikte ´the Beast from the East´ onze kust en lag er in een mum van tijd een flink pak sneeuw. Maar vandaag steeg het kwik alweer naar de zeventien graden. Zo snel kan het weer hier omslaan. Een paar weken geleden zei iemand op straat, nadat het dagen achter elkaar had geregend en we eindelijk weer eens van een voorjaarsdag konden genieten, dat Castro Urdiales een microklimaat heeft. Maar daar hebben we deze winter weinig van gemerkt, ook al staan er sinaasappelbomen in de straat en palmbomen in tuinen en parken. Het is een natte winter met veel regen, maar sneeuw was er al jaren niet gevallen. Zes jaar geleden, toen we nog maar net in Castro Urdiales waren neergestreken, vielen er wat vlokken uit de hemel. Maar die deden dat zo aarzelend dat ze al waren gesmolten voor ze de grond bereikten. In de hal van ons appartementencomplex hangt een foto van de laatste hevige sneeuwval in ons dorp, maar niemand die kan vertellen, wanneer dat precies is geweest. Het doet er ook niet toe. Woensdag konden de kinderen de hele ochtend van de sneeuwpret genieten. De scholen bleven gesloten, niet eens zozeer omdat het te gevaarlijk was om naar school te gaan, maar vooral omdat iedereen van dit zeldzame verschijnsel wilde genieten; jong en oud.

 

Elsje mag misschien even naar huis

03/02/2018

Het is een bericht dat regelmatig opduikt in de pers. Elche wil zijn dame terug. La Dama de Elche, hiernaast op de foto. Elsje noemen wij reisleiders haar in vakjargon. Het is een beeld uit de tijd van de Iberiërs dat werd gemaakt tussen de vijfde en vierde eeuw voor Christus. Eind 19e eeuw werd ze gevonden in Elche en aangekocht door het Louvre. In 1941 bij een ruil van kunstwerken tussen het Franse Vichy regime en het Spanje van Franco kwam het beeld naar Madrid. Haar eerste onderkomen was het Prado en sinds 1971 staat ze in het archeologisch museum in de hoofdstad. Nu buigt een politieke commisie zich over het voorstel om de Dame van Elche in 2019 tijdelijk uit te lenen aan haar stad in de provincie Alicante. Maar dat is voor de lokale politici niet voldoende. Zij willen dat Elsje definitief naar huis komt. Vorig jaar zomer was de buste in het nieuws toen een bezoeker ontdekte dat er een mier over haar voorhoofd kroop, terwijl ze toch in een hermetisch afgesloten vitrine staat. 

Het belangrijkste argument om de Dame in Madrid te houden is het universele karakter van het kunstwerk. Iedereen moet het kunnen bewonderen. En dat lukt beter in Madrid dan in Elche. Al zijn het vooral de Spanjaarden zelf die het Iberische beeld weten te vinden. De buitenlandse toeristen komen natuurlijk vooral voor de schilderijen van het Prado, Thyssen en Reina Sofia naar Madrid. Velen zullen het bezoek cultureel te zwaar vinden. Het kostte mij ook moeite om naar binnen te gaan nadat het museum na een grootscheepse restauratie die zes jaar in beslag nam, in 2014 weer openging. En dat zegt een reisleider die culturele reizen begeleidt. Het eerste excuus om niet naar binnen te gaan was de grote groep scholieren die voor mij naar binnen ging. De tweede keer dat ik ´s ochtends het plan had gemaakt om het museum in de middag te bezoeken, had ik iets te stevig geluncht en geen puf meer voor het bezoek.

Spanje in de Romeinse tijdBij een archeologisch museum denken we vaak aan lange rijen vitrines met botjes, potjes, munten, etc. Daarom was het ´nieuwe´archeologisch museum een verrassing voor me. De eerste verrassing was om op een video over de geschiedenis van de Romeinen op het Iberisch schiereiland te zien dat mijn woonplaats Castro Urdiales een van de eerste drie Romeinse havens was aan de noordkust, toen nog onder de naam Flaviobriga; een samenvoeging van de woorden Flavio, de naam van de stichter, de Romeinse keizer Titus Flavius Vespasianus, en Briga, het woord dat de Romeinen gebruikten als ze zich vestigden op een plaats, waar al een inheemse nederzetting was. De tweede verrassing was de overzichtelijke opstelling van de objecten en de duidelijke route door de Spaanse geschiedenis. Maar de grootste verrassing was misschien wel het enorme kleurenspektakel van de Romeinse mozaieken, de Moorse bogen en romaanse altaarstukken. Ik had het museum al eens voor de verbouwing bezocht, maar met deze nieuwe inrichting lijken al die stukken uit de rijke Spaanse geschiedenis beter tot hun recht te komen. Mijn favorieten blijven de prachtige kronen van de visigotische koningen, waaraan de letters van hun naam bungelen. Oh ja, en de Dame van Elche mogen we natuurlijk niet vergeten.

 

Ik, Jordaan Petrus Valen

20/01/2018

Als gedoopte Nederlander in Spanje heb je het niet makkelijk. Dat klinkt vreemd in een land waar de katholieke kerk nog altijd een belangrijke rol speelt in de maatschappij. Het zijn ook niet de priesters die ons het leven soms onnodig ingewikkeld maken, maar de Spaanse bureaucraten en andere baliemedewerkers. Ik moet eerlijk bekennen dat mijn ouders het de Spaanse ambtenaren ook niet makkelijk hebben gemaakt. Bij mijn doop kreeg ik de voornamen Jordaan Petrus, maar mijn roepnaam werd Danny. Het fenomeen roepnaam is onbekend in Spanje. Ik heb het wel eens zien vertaald als nombre de pila, maar een pila is het doopvont en daar krijg je juist je doopnaam. Roepnaam zou je in het temperamentvolle Spanje nog het beste kunnen vertalen als nombre a gritar. Veel Spaanse roepnamen komen uit de bijbel. Jezus, Jozef, Paulus, er zijn  meisjes die Belén heten, dat kerststal of Bethlehem betekent. Het probleem van mijn namen begint al met het feit dat de eerste letters van mijn doopnamen niet overeenkomen met de eerste letter van mijn roepnaam. En omdat je in Spanje overal formulieren moet invullen en je identiteitskaart moet laten zien, ben ik steeds minder Danny en steeds meer Jordaan Petrus. Overigens spreken de Spanjaarden, ik doe er zelf ook aan mee, mijn naam uit als Dani en dat is de afkorting van Daniel. Je zou er een identiteitscrisis aan over houden. 

Een ander probleem voor de Nederlander in Spanje is dat hij maar één achternaam in zijn paspoort heeft staan, terwijl de Spanjaard er twee heeft. Veel baliemedewerkers willen dat alle vakjes worden ingevuld. De medewerker van onze gemeentelijke sporthal loste dat heel creatief op, zoals op de foto boven deze post is te zien. Mijn achternaam zou in Spanje eenvoudig moeten zijn. Geen Van der of een achternaam die met Sch begint. Het is zelfs een Spaans woord. Valen, van valer, waard zijn. Degenen die Spaans spreken en dus weten dat de v in het Spaans als een b wordt uitgesproken, kan ik verzekeren dat het grapje van Balen niet origineel is. Vale, zonder n is in Spanje ook een stopwoord, zoals wij okay, of, wat mijn Peruaanse geliefde altijd opvalt, ons instemmende jajajaja. Toen ik net Spaans sprak en telefonisch een hotelreservering in Barcelona maakte, zei de recepcionist nadat ik mijn naam had doorgegeven, vale. Met het idee dat hij mijn  achternaam wilde checken, zei ik instemmend, si Valen, waarop hij opnieuw vale zei. Zo slingerde mijn achternaam een tijdje heen en weer door de telefoonlijn.  

Op de foto is ook te zien dat een letter a in mijn voornaam is gesneuveld. De Spanjaard kent geen dubbele klinkers en de naam Jordan kent hij wel als achternaam. Vaak denkt de Spanjaard als hij mijn voornamen ziet dat ik uit Roemenië kom. Maar als je dan zegt dat je uit Holanda komt, krijg je weer de vraag of dat hetzelfde is als Paises Bajos. Als we in Spanje bij een invulformulier op internet op zoek gaan naar de naam van ons land, moeten we zowel bij de P als bij de H kijken. Ooit was ik op het postkantoor voor postzegels voor een brief naar Nederland. Toen de postbeambte, die klaarblijkelijk veel had gelezen over de Tachtigjarige Oorlog, zag dat ik onder de woonplaats, Paises Bajos had gezet vroeg hij of de brief naar Nederland of België ging. Dezelfde man weigerde me overigens een paar weken geleden een aangetekende brief te overhandigen die was gericht aan D. Valen en niet aan J.P. Valen.