Archive for the ‘Aan de groene kust’ Category

De tapasader van Castro Urdiales

21/07/2018

De foto boven deze post is een sfeerbeeld van de straat La Rua bij ons in het dorp. Samen met de straat Ardigales, die in het verlengde loopt is het de tapasader van ons dorp. Een meer dan geschikte straat voor pintxopote, een Baskisch woord voor een kroegentocht met in iedere bar een wijntje of biertje met een hapje. Het Baskenland staat bekend om zijn tapasstraten, zoals in de oude wijken van Bilbao en San Sebastián. Laatstgenoemde plaats heeft de hoogste concentratie aan tapasbarren in de oude wijk van heel Spanje.  Na een bezoek aan een stuk of vijf barren heb je een aardige maaltijd bij elkaar gegeten en begint de wijn ook zijn tol te eisen. Dus je moet een keuze maken en dat valt niet mee met zo´n groot aanbod. Meestal kom je bij dezelfde barren, omdat ook vrienden daar naar toe gaan of omdat het vertrouwd en altijd goed is. Als we in Ardigales beginnen, is de eertse halte bar Javi. Deze bar heeft het grootste en meest gevarieerde aanbod aan tapas. Op een zaterdag worden ongeveer 240 tapas geserveerd. Naast bar Javi zit het beste restaurant van Castro Urdiales, La Arboleda. Voor de deur staat een vitrine waarin een vers zeebanket in het ijs ligt. Schuin tegenover heeft de eigenaar van La Arboleda Casa Pili overgenomen. Pili sneuvelde na de uitzending van het programma Pesadilla en la cocina, de Spaaanse variant op Herrie in de Keuken. Het nieuwe restaurant heet El Nuevo Funi en de specialiteit is paella, waarmee het restaurant een grote concurrent is voor Don Quichote, die dezelfde specialiteit heeft en ernaast is gevestigd.

Een stukje verderop in de straat zit sidreria Marcelo, dat al jaren het beste vlees van Castro aanbiedt. Als je een menu bestelt, kun je onbeperkt cider tappen uit het vat. Naast Marcelo zit de Lechería, een favoriet voor ouders met kinderen om kip te eten. Een stukje voorbij Marcelo is de populaire nachtkroeg La Noche, een mooie bruine kroeg van de Catalaanse eigenaar Carlos. Na La Noche eindigt de straat Ardigales bij de calle Santander. Aan de overkant begint La Rua met nog meer tapasbarren. El Figon Rosa, la Bodeguita, El Quinto Pino, La Vineria, Kike-U2, La Marinera. De Rua eindigt bijna ín de bar La Kaloka die op de kop van de straat is gevestigd. Net voor La Kaloka zit in de zijstraat Nuestra Señora de bar La Fuente, waar de specialiteit tortilla de patatas is. De tortilla wordt steeds vers uit de keuken van een aanpalend pand op de toog van de bar gezet. En dan zijn in deze route de barren rond het plein van het gemeentehuis in de haven nog niet eens opgenomen. La Cierbanata, la Goleta, Los Chelines, het befaamde restaurant El Marinero en Alfredo. En dan hebben we het ook nog niet gehad over de txistorra van bar Artxanda, de Argentijnse empanadillas van Los Bocaditos en alle andere barren die ongetwijfeld een bezoek meer dan waard zijn. Misschien moeten we die maar bewaren voor een volgende post. Zo blijft het schrijven van een blog een heerlijke bezigheid.

Anuncios

Aan boord van de Victoria

20/07/2018

Dit is de kajuit van het zeilschip La Victoria. Een replica, zoals het hele schip dat is. Het schip ligt voor anker in de haven van Colindres. Wie over de snelweg van Bilbao naar Santander gaat, of vice versa, kan het zien liggen, net voor of na de Ría van Treto. Helaas zijn de zeilen gestreken. Als een pauw die niet kan pronken. Het moet een indrukwekkend gezicht zijn, de witte zeilen met daarin het rode zwaard in de vorm van een kruis, het wapen van de Orde van Santiago. Wat dit schip zo bijzonder maakt, is dat het een replica is van het eerste schip dat tussen 1519 en 1522 de reis om de wereld maakte. Het schip maakte deel uit van een vloot die in 1519, onder leiding van Ferdinand Magellaan, de haven van Sevilla uitvoer. Magellaan zou nooit meer terugkeren in Sevilla. Hij sneuvelde in een strijd op de Filipijnen. Van de vijf schepen voltooide alleen de Victoria de reis. Juan Sebastián Elcano nam na de dood van Magellaan de leiding over. Van de 237 bemanningsleden waarmee de vloot was vertrokken, keerden slechts 18 manschappen terug naar Spanje. De strijd tussen hoop en wanhoop, het gevecht tegen de honger, onderlinge ruzies aan boord. Het is de sfeer die dit schip probeert op te roepen. We zien Elcano in de kajuit, gebogen over de kaarten. Hij moest het project van Magellaan voltooien. Een project om naar de Molukken te zeilen, waar het centrum van de specerijenhandel was gevestigd. Via het westen, niet om de kust van Afrika, zaols de Portugezen deden. Magellaan moest een doorgang vinden, waardoor hij van de Atlantische Oceaan de Stille Oceaan kon opvaren. Later zou deze doorgang zijn naam krijgen. De straat van Magellaan, tussen Vuurland en Patagonië. Een groot eerbetoon aan deze zeevaarder, die veel beroemder is dan Elcano, terwijl die wel de tocht voltooide. Er zijn wel straten naar Elcano genoemd, maar dan vooral in dorpen en steden in het Baskenland, de geboortestreek van de zeevaarder. En er staan twee standbeelden van Elcano in zijn geboorteplaats Getaria. Binnenkort zal de replica van de Victoria ook daar de haven binnenlopen. Overigens heeft ook de replica een plaats in de geschiedenis van de zeevaart gekregen. Deze Victoria was de eerste replica die ook de reis om de wereld maakte. Tussen 2004 en 2006. De bemanning nam wel een sluiproute. De tocht ging niet door de Straat van Magellaan, maar door het kanaal van Panama, en de terugweg ging niet om de Kaap de Goede Hoop, maar door het Suezkanaal.

Een tuinhuis vol speelgoed

16/07/2018

Zo rond half elf gaan de deuren open. Tafeltjes en krukjes worden buiten gezet. De eerste kinderen komen met hun vader, moeder, opa en/of oma het parkje binnenwandelen. Ze snuffelen even in het tuinhuisje en komen dan naar buiten. Met een kleurplaat, een raceauto, ganzenbord of badmintonrackets. Ook al is het prachtig weer en is het strand dichtbij, iedere dag zijn alle krukjes bezet. In twee parken in ons dorp worden ieder jaar bij het begin van de zomervakantie de tuinhuisjes neergezet en volgestouwd met speelgoed. Je zou denken dat dit een initiatief is voor kinderen uit arme gezinnen die zich geen speelgoed kunnen veroorloven, maar niets is minder maar. Deze ludotheken moeten de kinderen niet ván de straat maar juist óp de straat houden. Spanjaarden zijn graag buiten. Parken, pleinen en barren zijn sociale ontmoetingsplaatsen. En dat geldt ook voor dit kleine speelgoedparadijs. Een paradijs, waar de begeleidsters niet bang hoeven te zijn dat het speelgoed stiekem mee naar huis wordt genomen en waar ouders en grootouders aan het einde van de ochtend en middag helpen om het speelgoed weer op te bergen. 

De belangrijkste reden om deze ludotheken te organiseren is om te voorkomen dat kinderen zich gaan vervelen, want hun zomervakantie is lang. Op vrijdag 22 juni renden de kinderen voor het laatst uit school en op maandag 10 september begint het nieuwe schooljaar. Elf weken vakantie. Geen werkende vader en/of moeder die zo´n lange vakantie heeft. Dus opa en oma worden ingeschakeld, kinderen worden naar zomerkampen gestuurd, niet alleen om te spelen, maar ook om bijvoorbeeld Engels te leren. Ook de gemeente van ons dorp organiseert deze zomerkampen, de zogenaamde campamentos urbanos. De animo is zo groot dat er wachtlijsten zijn. De kinderen mogen maximaal een maand deelnemen. Van negen tot één duren de activeiten. Zo wordt er weer een dagdeel van de lange vakantie ingevuld. Onder het afdak van de sporthal in onze straat zitten een paar keer per week een stuk of tien kinderen met twee ouderen aan twee lange tafels. Het is een klein klasje dat schaakles krijgt.      

De trein kwam nooit aan bij de Middellandse Zee

04/07/2018

Net voor aankomst bij het station van Yera vulde de vallei zich met mist. Alsof het station en de troosteloze omgeving niet gezien mochten worden. Of was het juist om de teloorgang van deze plaats te benadrukken. Een verlaten en vervallen station, het perron overwoekerd met onkruid, een waterpartij op de plaats waar nooit een spoorlijn lag. Want hier reed nooit een trein. Hier stond nooit iemand op het perron te wachten. Niet ver van het station duikt een tunnel de bergen in. De tunnel van La Engaña, genoemd naar het riviertje dat er uit de bergen komt stromen. Maar ze hadden de tunnel ook Engaño kunnen noemen, met een o. Dat betekent bedrog in het Spaans en dat is wat deze spoorwegtunnel is. Er reed nooit een trein doorheen. Wel vrachtwagens, als in de winter de bergpas van Escudo door zware sneeuwval weer eens werd afgesloten. Tot 1999. Toen stortten delen van de tunnel in.

De tunnel is bijna zeven kilometer lang, 9676 meter om precies te zijn, en was de langste tunnel van Spanje tot de tunnels voor de hogesnelheidstrein in Barcelona en Madrid werden geboord. Deze tunnel in het zuidwesten van Cantabrië werd in de jaren veertig uitgehakt door Republikeinse gevangenen. 370 gevangenen begonnen aan de zuidkant, 190 gevangenen kropen aan de noordkant de berg in. De tunnel, en ook het station, maakten onderdeel uit van het faraonische project om de Cantabrische kust met de Middellandse Zeekust met een spoorlijn te verbinden. Het idee werd al in de jaren twintig bedacht door generaal Miguel Primo de Rivera, maar de uitvoering begon pas na de Spaanse burgeroorlog. Aan beide kanten van de bergen kwam een dorp met een school en een kerk om de gevangenen onder te brengen. In 1961 werden de werkzaamheden gestaakt. Nooit zou er een trein van Santander naar Sagunto rijden.

De vier tunnels en de drie stations werden een inktzwarte vlek in het zo mooie groene gebied van Pasiegos. Hier komen de lekkerste botercakejes van Spanje vandaan; de soboas. Spreek uit als sobau. Het centrum van deze industrie is het dorp Vega de Pas, waar nog veel ambachtelijke bakkers zijn. Vanuit het dorp is het maar een klein stukje rijden naar het station. Veel nieuwsgierigen komen er een kijkje nemen. Aan de graffity en het afval in en rond het station te zien is het ook een favoriete stek voor hanggroepjongeren. Er zijn plannen om dit omstreden erfgoed een nieuwe functie te geven. Zowel de provincie Burgos als Cantabrië willen de tunnels restaureren en inrichten als via verde. Een groene weg voor fietsers en wandelaars, zoals er veel zijn in Spanje. Voorlopig worstelt men nog met de kosten, 15 miljoen euro. Maar om deze zwarte bladzijde van de Spaanse geschiedenis nu een groene kleur te geven, zo groen als het landschap, is de best denkabre oplossing.    

 

 

De stilte van Somiedo

26/06/2018

Pas op voor overstekende beren. Dit bord zou je eerder in Canada verwachten dan langs een Spaanse weg. Maar het bord staat echt langs een Spaanse weg, tussen de dorpen Aguamestas en Villar de Vildas aan de rand van het natuurgebied van Somiedo in Asturië. In deze regio is vooral het nationale park Picos de Europa bekend, waar jaarlijks duizenden natuurliefhebbers uit binnen- en buitenland neerstrijken. In de zomer zijn de Picos het Benidorm van de natuurparken. Dan is het beter vertoeven in Somiedo, een oase van rust. Het natuurpark ligt ten zuidwesten van Oviedo, de hoofdstad van Asturië.  Deze streek is nog nauwelijks bekend terwijl het op het gebied van fauna toch uitblinkt door de aanwezigheid van meer dan 160 bruine beren. Samen met de Catalaanse Pirineëen is dit de enige streek in Spanje waar de bruine beer voorkomt. Al is het lastig om ze ook echt te zien. Ze zijn mensenschuw en houden zich schuil in de dichte bossen van beuken en eiken. Op onze weg naar Pigüeña, waar we een weekeinde doorbrachten, kwamen we het bord op de foto boven deze post verschillende keren tegen. Het dorpje Pigüeña heeft zijn naam gegeven aan een van de vier belangrijke valleien van Somiedo en aan de rivier die door de vallei stroomt. Dat we in dit dorpje waren terecht gekomen door het huren van een oude Asturische boerenwoning via Airbnb was een schot in de roos. Aan de westkant van het park leven de mensen in volledige harmonie met de natuur. Er zijn nog wat klompenmakers, veehouders, boeren met kleine moestuinen. Overal staan de hórreos, de grote vierkante voorraadschuren op hoge palen. Onder de schuren hangt de was te drogen en staan de landbouwwerktuigen gestald. In Pigüeña was een week voor onze komst bar Ricardo geopend, de enige bar in het dorp. Het meisje achter de bar wist te vertellen dat er in het dorp 18 mensen wonen. Op een bordje achter de bar stond te lezen dat er in de bar plaats is voor 24 gasten. Op bezoekers is dus gerekend.

Iedereen in het dorp heeft wel eens een beer gezien. Af en toe steken ze de kleine weiden over die vanuit het dorp in de bergen zijn te zien. En in het najaar komen ze naar de rand van het dorp als de fruitbomen hun vruchten laten vallen. Een familie uit Burgos had in de meivakantie vanaf het uitzichtspunt bij El Robledo maar liefst 8 beren gespot Toen wij op dat punt stonden moesten we het doen met één hert. Maar met heel veel geduld en geluk zou je in Somiedo de Cantabrische big five kunnen spotten; beer, gems, edelhert, wolf en zwijn. Maar wie dat geluk niet heeft, vindt voldoende troost in de prachtige natuur van Somiedo. Een mooie wandelroute gaat naar de schuilhutten van Pornacal. Een weidegebied, waar de boeren hun koeien naar toe brachten om ze te laten grazen. Bij Pornacal staan nog 32 exemplaren, omringd door gele brem. De wandeling begint bij het dorp Villar de Vindas Aan de oostkant van het park ligt de belangrijkste plaats, Pola de Somiedo, met veel meer inwoners, voorzieningen, appartementen en horeca-voorzieningen, en daardoor veel minder sfeervol dan Piguëna of Villar de Vindas. Pola is wel een goede uitvalsbasis voor een andere mooie wandeling, die leidt naar de meren van Saliencia. Wij zagen die alleen op de foto´s in het bezoekerscentrum, omdat dit wel een hele pittige wandeling was, zeker met kruk en kinderwagen. Geen beren en geen meren voor ons, maar de impressies van het natuurgebied van Somiedo en zeker het dorpje Pigueña, zijn voldoende aanleiding om hier weer eens terug te keren.

Links of rechts

04/05/2018

Daar staan we dan, op een klein pleintje. Rond het pleintje hoge coniferenhagen met daartussen drie paden. Een pad dat ons op het pleintje bracht en twee paden voor ons. We zijn in het grootste labyrint van Spanje. Het doolhof heeft een oppervlakte van 5500 m2 en ligt in Cantabrië, niet ver van bekende plaatsen als Santillana del Mar en de grotten van Altamira. Ruim een jaar geleden werd het doolhof geopend. Het idee was van Emilio Pérez Carral, een gepensioneerde brandweerman die waakte over de bossen in zijn streek. Samen met vrienden en familie plantte hij meer dan vierduizend Cipreses Leilandi en creëerde een fascinerend doolhof zoals die in de 18e eeuw in de Europese paleistuinen werden aangelegd. Maar daar waren het vooral lage buxushaagjes die vanaf boven, vanuit de ramen van het paleis er uitzagen als tapijten. Nu dwalen wij langs meer dan twee meter hoge hagen. Het pleintje, bijna in het centrum van het labyrint, hadden we aardig snel gevonden, maar de weg naar de uitgang, waar ook de ingang is, is een zwaardere opgave.

Het moet er vanuit de lucht grappig uitzien. Groepjes mensen die als mieren over de paden dwalen. Je geduld wordt op de proef gesteld als je weer eens een doodlopende gang inloopt of als halverwege een laan voor de vijfde keer hetzelfde echtpaar hoofdschuddend terugkomt. Aan beide zijkanten van het labyrint zijn nooduitgangen en de verleiding wordt steeds groter om daar maar uit het hek te stappen. Maar dan hoor je opeens iemand roepen dat de uitgang in zicht is, en afgaand op het geluid en de weg vragend aan lotgenoten die net aan hun missie zijn begonnen, doemt daar het verlossende hekje op, waar je anderhalf uur eerder door naar binnen bent gestapt. Kinderen tot zes jaar doen dat gratis, boven die leeftijd is de entreeprijs vier euro. Buiten het doolhof is een bar, zijn picknickplaatsen, toiletten en een grote parkeerplaats.  Voor wie na het avontuur weer even ver van zich af wil kijken, is het een goed idee om naar de kust te rijden, bijvoorbeeld naar Suances, op nog geen half uur rijden van Villapresente. Als je in deze badplaats de borden faro aanhoudt, kom je uit bij het einde van het dorp, waar naast de vuurtoren ook het restaurant El Caserío is. Daar heb je al een prachtig uitzicht op het strand van Suances en op de achtergrond de besneeuwde bergen. Aan het einde van de parkeerplaats voor het restaurant gaat een trap naar beneden tot de playa de los locos, inderdaad, het strand van de gekken. Vroeger was hier een inrichting. Nu staat er onder andere het populaire  strandpaviljoen chiringuito de los locos. Het gezellige terras biedt uitzicht op zee en de kliffen. 

Bij de buren, maar niet op de koffie

23/03/2018

Het was al heel wat dat we over dit landgoed, halverwege onze straat, mochten rondlopen; door de tuin, langs het zwembad en over het terras achter het paleis. Ruim twee jaar geleden plaatste ik een blog over dit paleis van Ocharán, een rijke industrieel uit Bilbao. Toen bleven de hekken in de dikke hoge muren nog hermetisch gesloten. Maar nog geen twee maanden na die publicatie mocht mijn oudste zoontje opeens wel met zijn klas naar binnen. Schoorvoetend begon de eigenaar van de familie een belofte aan de gemeente in te lossen. De familie De la Via, eigenaar van een grote steengroeve net buiten ons dorp zou in ruil voor de uitbreiding van de groeve, een deel van de tuinen openstellen voor het publiek. Maar dat is lastig te organiseren zonder nieuwe hoge muren te plaatsen tussen het openbare en het privé-gedeelte van het landgoed. Een paar maanden geleden werd besloten dat de gemeente twee keer per maand een rondleiding mag organiseren voor maximaal 25 personen per groep. De familie van het paleis bepaalt de data dat bezoekers welkom zijn.

Gisteren waren wij een van de uitvekorenen. De gids vertelde vooral over de verschillende bomen en planten. De arme man werd al snel tegenover de hele groep terecht gewezen, of beter gezegd, terechtgesteld, door drie mannen die net iets beter op de hoogte van de flora aan de groene kust. Een bijzonder detail is dat het zwembad, op de foto boven deze post wordt gevuld met zeewater dat met een sterke instalatie hoog de heuvel wordt opgepompt waar het paleis staat. Zoals al ik in mijn eerdere post schreef, is het paleis en het kasteel ontworpen door Eladio Laredo, een lokale architect, die leefde en werkte in de tijd van Jugendstil en Modernisme. Het paleis is een mengelmoes van neo-stijlen; moorse bogen, barok, classisisme, aangekleed met tegeltjes van keramiek. Daardoor waan je je het ene moment in Sevilla, dan weer in Portugal en ineens sta je voor een paleis van Paladio in Italië. Verscholen in een hoek van de tuin staat een neo-romaanse kapel. Daar was ook de uitgang, waar we het landgoed verlieten op het moment dat de gids nog even verhaal haalde bij de drie betweters.  

Eindelijk weer eens op pad

14/03/2018

Bárcena Mayor, een typisch Cantabrisch bergdorp op anderhalf uur rijden van onze vissersplaats Castro Urdiales. Anderhalf uur met de auto. Na meer dan een jaar mag de schrijver van deze blog weer autorijden. Tot grote vreugde van de kroost, die na ruim een jaar wel weer toe was aan een dagje uit met de auto. De bestemming werd dus Bárcena Mayor, gelegen in het hart van het nationale natuurreservaat Saja-Besaya, aan de oostkant van de Picos de Europa, waarvan de besneeuwde bergtoppen goed waren te zien. De CA280, die later overgaat in de CA180 brengt de reiziger van de kust naar Bárcena, waar de weg eindigt. De plaats staat regelmatig hoog op de lijsten van de mooiste dorpen van Spanje. De huizen hebben de typische Cantabrische architectuur, waar vooral de zware houten balkons opvallen. In de lente zullen die worden aangekleed met geraniums en zal het dorp veranderen in een groot kleurenspektakel. Daar was het nu nog te vroeg voor. Ook de natuur rond het dorp moet nog uitlopen. Maar toch, de grote parkeerplaats buiten het dorp stond rond het middaguur vol. Het waren vooral veel mensen uit de streek die niet voor de geraniums kwamen, maar voor de lokale keuken met specialiteiten als fabada con venado, witte bonen met hert, chuleta de potro, veulenkotelet, cocido montañes, de stoofpot van de streek. De vele restaurants in het dorp, sommigen met uitnodigende terrassen aan het riviertje de Argoza, zijn het bewijs dat het in de zomer erg druk kan zijn.

Op een kleine afstand van Bárcena Mayor ligt het dorpje Carmona, dat veel minder toeristisch is dan Bárcena. Hier is bijvoorbeeld maar één bar, bij de ingang van het dorp. Op de terugweg over de CA280 is ter hoogte van de plaats Valle Cabuérniga de afslag naar de CA182 die richting Carmona gaat. Langs de weg ligt een uitzichtspunt, hoog boven Carmona, waar niet alleen het dorp is te zien, maar ook de omringende bergen en de Picos de Europa. De stijl van de huizen in Carmona verschilt niet veel van die in Bárcena. In Carmona zijn de rurale activiteiten nog overal zichtbaar. Houtbewerkers zijn op het erf actief, geiten worden naar het weiland gedreven. Carmona staat bekend om de productie van de typische klompen met lange noppen onder de zool om niet te ver weg te zakken in het drassige weiland. Het bezoek aan Bárcena Mayor en Carmona was niet alléén maar een dagje uit. Vorige week kreeg ik een contract van de Nederlandse uitgever Edicola om een reisgids over Asturië en Cantabrië te schrijven. Daarin mogen deze twee dorpjes natuurlijk niet ontbreken.

Sneeuwpop onder een palmboom

01/03/2018

 

Of wat er nog van over is. Een ééndagssneeuwpop. Gisteren gebouwd en vandaag al weer bijna helemaal gesmolten. Gij zijt water en gij zult tot water wederkeren. Achter de sneeuwpop stroomt het vloeibare overschot richting de bron, de Cantabrische zee. De sneeuwpop staat op de plaats waar we zondag nog heerlijk op het terras zaten, genietend van een txakoli, de Baskische witte wijn. Maar op woensdagochtend bereikte ´the Beast from the East´ onze kust en lag er in een mum van tijd een flink pak sneeuw. Maar vandaag steeg het kwik alweer naar de zeventien graden. Zo snel kan het weer hier omslaan. Een paar weken geleden zei iemand op straat, nadat het dagen achter elkaar had geregend en we eindelijk weer eens van een voorjaarsdag konden genieten, dat Castro Urdiales een microklimaat heeft. Maar daar hebben we deze winter weinig van gemerkt, ook al staan er sinaasappelbomen in de straat en palmbomen in tuinen en parken. Het is een natte winter met veel regen, maar sneeuw was er al jaren niet gevallen. Zes jaar geleden, toen we nog maar net in Castro Urdiales waren neergestreken, vielen er wat vlokken uit de hemel. Maar die deden dat zo aarzelend dat ze al waren gesmolten voor ze de grond bereikten. In de hal van ons appartementencomplex hangt een foto van de laatste hevige sneeuwval in ons dorp, maar niemand die kan vertellen, wanneer dat precies is geweest. Het doet er ook niet toe. Woensdag konden de kinderen de hele ochtend van de sneeuwpret genieten. De scholen bleven gesloten, niet eens zozeer omdat het te gevaarlijk was om naar school te gaan, maar vooral omdat iedereen van dit zeldzame verschijnsel wilde genieten; jong en oud.

 

Een kok die speelt met vuur en ijzer

27/01/2018

Op de top van Anboto. Aan de voet van deze 1300 meter hoge berg ligt het dorp Axpe. Op de foto zijn in de vallei nog net wat huizen en boerderijen zichtbaar. Mijn vrienden wezen me boven op de bergtop op dat dorp omdat daar in een boerderij het restaurant Etxebarri is ingericht. Je kunt er van alles van de grill eten, maar je moet wel geld meenemen. Dat klinkt als een understatement, maar als een Bask dat zegt, dan betekent dat heel veel geld. Een Bask zal niet snel zeggen dat iets duur is, als de kwaliteit er maar naar is. En inderdaad, op de site van het restaurant prijkt een gemiddelde menuprijs van 176 euro, exclusief de drankjes. Maar dan eet je wel in een exclusief restaurant. Vorig jaar eindigde Etxebarri op de zesde plaats van de lijst van vijftig beste restaurants van de wereld, The World´s 50 Best. De lijst wordt jaarlijks opgesteld door het Engelse tijdschrift Restaurant. Dit jaar zal de prijsuitreiking in Bilbao plaatsvinden.

Het is opmerkelijk dat Etxebarri nog niet is bekroond met een michelinster en dat is waarschijnlijk ook de reden waarom dit restaurant niet zo bekend is als de restaurants in en rond Bilbao die die sterren wel hebben, zoals Nerua in het Guggenheim, Etxanobe in Palacio Euskalduna, Mina, Zortziko, Zarate, en Azurmendi. Waarschijnlijk zou eigenaar Bittor Arginzoniz zijn schouders ophalen als hem naar dit feit zou worden gevraagd. Hij groeide op in de boerderij dat nu zijn restaurant is. Hij leerde het vak thuis in de keuken en ging niet in de leer bij andere koks. Zijn succes is dat hij trouw bleef aan de Baskische wortels van de kookkunst. En daarin staat het zogenaamde kilometer nul punt centraal. De ingedriënten moeten niet van ver worden gehaald. Hij gaat zelf naar vissersplaatsen als Ondarroa, Bermeo of Santoña om daar bij de visafslag de beste exemplaren te selecteren. Op het land bij zijn boerderij grazen buffels die hij uit het Italiaanse Lazio liet over komen voor de mozarella. Hij heeft zijn eigen kippen, zodat er iedere dag verse eieren zijn en de tuin met groenten en fruitbomen is de schatkamer van zijn restaurant. In de keuken zijn de verschillende vormen van grills en pannen een belangrijk onderdeel van zijn succes. Een grill van titanium voor kroketten, een pan in de vorm van een zeef voor peulvruchten en eendenmosselen. Maar het is vooral het oog van de vakman, die speelt met het aroma van de gerechten en de hitte die afstraalt van de verschillende soorten houtskool om de smaak van de gerechten zo optimaal mogelijk te laten zijn.