Posts Tagged ‘Galicië’

Koffiepauze aan de kust van Galicië

25/06/2017

Xuño

De laatste regels van mijn vorige post kondigden aan dat het verhaal van mijn revalidatie bij een drieluik zou blijven, al schoot het aantal bezoekers aan mijn blog juist door deze verhalen omhoog. Mijn leed trok veel meer bezoekers dan alle verhalen die ik over Spanje in de loop van de jaren had geschreven. De post sloot ik af met de woorden dat het wereldje van deze blogger een klein wereldje was geworden en dat is voor een reisleider best frustrerend, zeker nu het personeel van het revalidatiecentrum op vakantie begint te gaan. Gelukkig niet naar plaatsen die me jaloers maken, want veel medewerkers gaan vooral naar de overvolle badplaatsen, al is dat ook wel weer begrijpelijk als je midden op de hoogvlakte temperaturen moet trotseren van rond de veertig graden, en de zee ver weg is. Maar toen mijn therapeute vertelde dat ze een weekje naar Galicië ging, moest ik toch wel even slikken en kwamen herinneringen boven aan al die reizen die ik naar dat gebied heb gemaakt. Herinneringen aan de pelgrimsweg, het lekkere eten, de mooie landschappen en de uitbater van café Mariño aan de weg langs de Rias Bajas tussen Noia en Santa Eugenia.

XuñoHerinneringen om deze blog weer nieuw reisleven in te blazen. Café Mariño ontdekten we bij toeval toen de eigenaar van ons vaste koffieadres aan het begin van het wandelpad naar de keltische nederzetting van Baroña op de rotsen aan de Galicische kust besloot op maandag de tent dicht te gooien, uitgerekend op onze bezoekdag aan de keltische overblijfselen. Belachelijk vond de Hollandse koopmansgeest, als de eigenaar toch zomaar 30 kopjes koffie kon verkopen. Maar iedere horeca-ondernemer weet dat de marge op koffie erg laag is en de arbeidsintensiviteit hoog, zeker als er cappucino wordt besteld. Er zat niets anders op dan de weg te vervolgen en dan maar hopen een geschikte lokatie tegen te komen, met lekkere koffie, parkeerruimte voor de bus én een vlotte bediening. Een nachtmerrie voor de reisleider is om onnodig veel tijd te verliezen bij een koffiestop. Uiteindelijk reden we Xuño binnen. Een roze bord aan de rechterkant van de weg wees naar de aanwezigheid van een Romaanse brug, maar nog belangrijker was dat halverwege het dorp aan beide kanten van de weg een bar was, bar Mariño aan de rechterkant en bar La Palmera aan de linkerkant. Zo konden we de groep verdelen en hoefden we niet bang te zijn dat er in een van de barren te weinig kopjes zouden zijn of dat de barman onder de plotselinge werkdruk zou bezwijken. De gok pakte goed uit, tot een paar weken later La Palmera dichtging en we met de hele groep bar Mariño vulden. Mariño is een typische dorpskroeg, waar een oud mannetje je zomaar kunt vragen; alles goed?, in het Nederlands omdat hij als een van de vele Galicische emigranten in de jaren zestig of zeventig ooit bij Xuñode Hoogovens, Philips of in de Limburgse mijnen werkte.

Uiteraard staat de televisie aan, naast de ingang van de keuken hangt een kalender van het lokale garagebedrijf met halfontblote dames, op een hoek van de bar liggen de regionale kranten, je kunt er loten kopen van de staats- en blindenloterij en op een publikatiebord prijkt het culturele nieuws en de gemeentelijke mededelingen en aan de andere kant van het lokaal hangt een vergeelde foto van het plaatselijke voetbalelftal. We vroegen ons af of we hier wel binnen een half uur met dertig gasten weer weg zouden zijn. Er stond achter de bar maar een man, die ook nog eens scheel was, maar dat was juist een voordeel, want een oog hield hij op de koffiemachine en met zijn andere oog kon hij de gasten achter zich laten afrekenen. Daarbij kreeg hij steun van zijn vrouw die met schone kopjes uit de keuken kwam en onze gasten voorzag van kleine rieten mandjes gevuld met koekjes. Die waren inbegrepen bij de koffieprijs van 1 euro… We waarschuwden de eigenaar als er een week later weer een groep zou komen, zodat ze het terras dat normaal uit drie tafeltjes bestond konden uitbreiden. Het terras gaf uitzicht op het landschap van Galicië. Een granieten kerkje, akkertjes met mais en op de achtergrond de bergrug van Barbanza waar we later naar het uitzichtspunt zouden gaan. Later las ik in een reportage over euthanesie dat bij Xuño in de jaren zestig Ramón Sampedro een dwarslaesie opliep bij een duik in ondiep water. Voor de rest van zijn leven was hij gekluisterd aan het bed, de eerste jaren in Xuño. Hij werd landelijk bekend omdat hij de eerste Spanjaard was die in het conservatieve Spanje van Franco om euthanesie vroeg.  Zijn verhaal werd verfilmd in de beroemde film Mar Adentro van Amenábar, de rol van Sampedro werd gespeeld door Javier Bardem. Maar wij komen voor de koffie naar Xuño. Toegegeven, bar Mariño heeft niet de allure van een terras op de plaza Mayor in Salamanca of Madrid of tegenover de stadsmuren van Cáceres, maar wie kennis wil maken met de Galicische gastvrijheid en gemoedelijkheid, kan niet zomaar voorbij rijden aan bar Mariño.

Openbaringen uit Samos

02/11/2015

005

´Goedemorgen, padre Augustín! Hoe gaat het?´ ´Slecht, jongen, slecht. Alles doet me zeer.´ ´U ziet er anders goed uit. Gaat u nog naar beneden? Jorge is hier ook, die wil u graag even zien.´ ´Zeg maar dat ik bij de ingang zit, in de zon, ik ga wandelstokken maken´. En daar gaat padre Augustín. Met zijn eigen stok slaat hij op de stenen vloer zijn laatste uren, tik, tik, tik. Sara Montiel en een klein donker engeltje kijken hem vanaf de fresco´s aan de muur van de kloostergang glimlachend na. Buiten waggelen in de voormalige kruidentuin achter het klooster een paar ganzen driftig naar een wandelaar die over het pad om het klooster gaat. Op een met mos bedekt muurtje van leisteen schiet een zonnende hagedis tussen twee stenen weg. Bloeiende hortensia´s kleuren de tuinen van het klooster roze. Onder de brug trotseren forellen de stroom van het riviertje Sarria en blijven in de schaduw van de brug. Vanaf dezelfde brug, naast het bureau voor Toerisme is het zicht op het klooster van San Julián het mooist. Het klooster domineert de kleine vallei in de groene heuvels van Galicië. Alleen langs de doorgaande weg staan wat huizen. Het dorp waar het klooster staat heet Samos. De naam is afkomstig uit de taal van de Alanen, en betekent samenkomen. Dat deden de 213Benedictijnermonniken hier al vanaf de 6e eeuw. Wie ooit de pelgrimsweg over de camino Francés heeft afgelegd en bij de plaats Triacastela besloot om niet via San Xil te gaan, kent de plaats en het klooster. En misschien ook wel padre Augustín. Tot een paar jaar geleden verkocht hij in het winkeltje bij de ingang van het klooster de entreekaartjes. Hij verfoeide pelgrims en toeristen die zonder zijn toestemming een foto van hem maakten. ´Het is hier geen dierentuin!´ Een keer stuurde hij een paar pelgrims bijna weer naar buiten nadat ze voor de derde keer hadden gevraagd wanneer de rondleiding eindelijk ging beginnen. ´Als je haast hebt, moet je hier niet zijn. Dan begrijp je er helemaal niets van´, snauwde hij tegen ze.

Maar op een dag wist padre Augustín niet meer hoeveel wisselgeld hij moest teruggeven, ging zijn gehoor achteruit en verdween hij in de privé-vertrekken van het klooster, bij zijn mede-broeders. ´We zijn hier met 22 benedictijnermonniken. Twee zijn er nu op Puerto Rico, niet op vakantie, maar op missie´, was zijn automatische antwoord als iemand wilde weten hoeveel monikken er in het klooster leefden. Een kleine populatie voor een klooster met enorme afmetingen. Het complex bestaat uit twee kloostergangen, waarvan de grootste een oppervlakte heeft van 54 bij 54 meter en daarmee een van de grootste kloostergangen is van Spanje. De cellen in deze kloostergang zijn ingericht als gastenverblijf voor wie spirituele oefeningen wil doen. De monikken verblijven in het laatgotische gedeelte dat er naast is gelegen. Boven, vanuit de gang die leidt naar de slaapvertrekken, kijken de monikken uit op een barokke fontein gevormd door drie rondborstige dames die een schaal dragen. Juan, een novice die ooit de rondleiding deed, wuifde alle 218erotische interpretaties weg. ´In die tijd, de 18e eeuw was het veel erotischer wanneer een vrouw haar rok optrok tot boven haar enkels´.

Juan kwam uit het Baskenland en was een paar jaar later opeens verdwenen. Vertrokken naar een ander klooster werd ons verteld. Maar niemand wilde vertellen waarom. Tot de dag dat mijn chauffeur Jorge op weg naar de onmoeting met padre Augustín bij de ingang van het klooster aan de praat raakt met een monnik van Canarische afkomst die een paar vuilniszakken in een container gooit en terloops de vuile was buiten hangt. ´Het was een complot, twee nieuwe novices konden niet opschieten met Juan en gingen in zijn verleden graven. Ze kwamen erachter dat hij als gemeente-medewerker bij een corruptie-schandaal betrokken was geweest en hebben daarna de abt ingelicht. De zaak lag te gevoelig om Juan nog te kunnen handhaven in het klooster´. Even hebben we het gevoel verzeild te zijn geraakt in een nieuwe roman van Umberto Eco.  Ondertussen is padre Augustín aan 214de zonzijde in de kloostergang op een bankje gaan zitten. Voorovergebogen haalt hij een zakmes over een houten stok heen. Het is steeds dezelfde beweging, soms vertrekt hij een spier. Ik vraag of ik een foto van hem mag maken. Hij knikt instemmend en houdt zijn blik gericht op de stok. Waar zullen zijn gedachten zijn? Hij heeft zoveel meegemaakt in het klooster. Zou hij er bij zijn geweest toen het klooster voor een groot deel door een zware brand werd verwoest. Was hij al ingetreden bij het bezoek van Franco en van prinses Irene met Carlos Hugo, en wat zal hij meer weten van novice Juan, een naam die overigens verzonnen is om de privacy van de novice te respecteren. Padre Augustín zal waarschijnlijk vinden dat ik al veel te veel heb onthuld. Het is hier geen dierentuin en ook geen Animal Farm van George Orwell, hoor ik hem denken. 

Een mijlpaal

15/01/2014

006

Maar dan wel een figuurlijke mijlpaal. Een van de vele figuurlijke mijlpalen die er langs de weg naar Santiago de Compostela staan. Zoals ook het leven vele mijlpalen kent; een huwelijk, een examen, het ouderschap, een onderscheiding. Voor de pelgrim die waar dan ook vandaan komt wandelen of fietsen en maanden, weken of dagen onderweg is, is  dit paaltje misschien een mijlpaal.  Of het paaltje dat een kilometer verderop staat. Vanaf nu is dit zuiltje het icoon dat deze blog siert. De stier, de toro bravo, blijft achter in 2013. Al paste de stier wel als symbool bij deze blog. Spaans bloed, stierenbloed, sangre de toro, waarbij ik persoonlijk eerder denk aan de heerlijke wijn die Torres in de Penedés maakt dan aan het bloed dat vloeit in de arena. Dat is het probleem met deze stier, die altijd wordt geassocieerd met het omstreden stierenvechten. Maar kijk naar de stier, vervang de plaza de toros door de dehesa, de streek van steen- en kurkeiken die zich uitstrekt van Huelva tot Salamanca, en het dier komt opeens in een ander daglicht te staan. De stier hoort veel meer bij Spanje dan het stierenvechten. Daarom werd het dier het symbool van Osborne, en liet de sherryproducent door heel Spanje grote reclameborden van de stier 091plaatsen, waardoor de stier voor wie door Spanje reist bijna is uitgegroeid tot trouwe reisgenoot. 

Dat geldt ook voor het zuiltje op de foto boven deze post. Hij vergezelt de pelgrim op zijn weg naar Santiago de Compostela. Maar tot Galicië vertellen de zuiltjes niet hoeveel kilometers hem nog scheiden van zijn doel. Pas halverwege de berg naar O Cebreiro, als de weg op Galicische bodem komt, dan worden de kilometers die nog resteren naar Santiago op deze zuiltjes weergegeven. Dit zuiltje staat overigens op ongeveer 447 kilometer afstand van de hoofdstad van Galicië, in de leegte van de Meseta, tussen de dorpjes van Hontanas en Castrojeriz. Tot Galicië is op de paaltjes alleen de Jacobusschelp afgebeeld en, in het geval van dit zuiltje, het symbool van de Tau, die echter schuil gaat achter het hoge gras.  Het symbool, de letter T uit het Griekse alfabet en de laatste letter van het Hebreeuwse alfabet, is het symbool van de Heilige Antonius, een kluizenaar die in de derde eeuw in de woestijn van Egypte leefde. Tegenover het zuiltje staat de ruïne van wat eens het hospitaal was van de volgers van deze Antonius. De provinciale weg gaat onder de bogen van de kerk door richting Castrojeriz. Franciscus van Assisi logeerde hier op zijn weg naar Santiago en zou hier op het idee zijn gekomen om het symbool van de Tau op te nemen binnen de Franciscaner orde. Het symbool komt terug in het boek van Ezequiel in het Oude Testament, in het verhaal waar God oproept om de mensen die het symbool van de Tau dragen bescherming te geven. Een deel van de ruïne is nog steeds ingericht als herberg. En net als ik bedenk wat het slot van dit verhaal moet worden, leest uit een vrouwenblad mijn Alicia me vanaf de bank, nummer 8 voor uit de top tien van niet aan te raden reisgenoten; el hiperguía turístico, de reiskameraad die alles denkt te weten en bedolven gaat onder reisgidsen en plattegronden. De boodschap is duidelijk.   

Op een bijna onbewoond eiland

30/08/2013

132

De camping van Oia, waar ik in mijn vorige post over schreef, lag dan wel aan zee en op de foto´s op internet zag je ook mensen op een strandje zitten, maar dat bleek in de praktijk een lapje zand van niet meer dan tien vierkante meter te zijn en omsingeld door rotsen die het pootjebaden in zee onmogelijk maakten. Maar op nog geen twintig kilometer van de camping ligt het strand van Baiona, en vanuit die plaats kun je met de boot naar, wat de Engelse krant The Guardian in 2007 schreef, het mooiste strand van de wereld, het strand van Rodas op een van de eilanden van Cíes. Je moet er niet gek van opkijken dat wanner je dat in je krant schrijft, dat dan het jaar daarop op je geliefde strand iedere vierkante milimeter zand 130schuilgaat onder een strandlaken. Dat is het gevaar als je een geheim wilt delen.  Maar geen spoor van overbevolking op het strand, zoals ook is te zien op de foto boven deze post. Dat komt misschien door de financiële drempel, want om op dit strand te komen, moet een gezin met twee kinderen tussen de 3 en 12 jaar 49 euro betalen voor de overtocht van het vasteland naar de eilandengroep van Cíes op 14 kilometer afstand van de kust in de monding van de Ría van Vigo. Bovendien maakt het strand deel uit van een nationaal park en mogen dagelijks niet meer dan 2.200 personen vanuit de kustplaatsen Cangis, Vigo en Baiona overvaren. Als om kwart over acht ´s avonds de laatste boot terugkeert naar het vasteland, blijven de campinggangers als enigen achter op het eiland, dus helemaal onbewoond is het eiland ook weer niet. Het was de Engelse journalist Gavin McOwan die de top 10 van mooiste stranden opstelde en waar het strand van Rodas dus trots op de eerste plaats prijkte, stranden van ondermeer Thailand en de Caribbean achter zich latend. Hoewel McOwan zijn lijst al 6 jaar geleden publiceerde, klinkt de echo van dit lijstje ieder jaar weer als het 117zomerseizoen begint. Het 1200 meterlange strand van Rodas doet niets onder voor een strand in de Caribbean. Het hagelwitte strand, het kristalheldere water, het past helemaal bij de plaatjes die in de reisgidsen voor vakanties in het Caribisch gebied staan. De vergelijking houdt op als je over dat hagelwitte zand de zee inloopt en de temperatuur van het water voelt. Het strand van Rodas is een van de acht stranden op de eilanden. Dit strand is het meest toegangelijk, de boten laten de bezoekers bijna op het strand uitstappen. Verschillende paden leiden naar de kleinere strandjes op het eiland. Het strand van Rodas verbindt de twee eilanden Monteagudo en Del Medio aan de oostkant. Aan de westkant is een dam aangelegd. Aan de zuidkant ligt het eiland van San Martiño, maar daar leggen de veerdiensten niet aan. De naam Cíes werd al in de Oudheid aan de eilandengroep gegeven. Het is afgeleid van het Latijnse woord Siccae, droog. De bewolking trekt vaak over de eilanden heen en laat pas aan de kust de regenvracht vallen. Maar wie een wandeling maakt over een van de uitgezette paden over het eiland, ziet aan de westkant van de eilanden dat het vocht dat over de oceaan wordt aangevoerd het graniet op sommige plaatsen heeft aangekleed met een dikke laag mos. De wandelingen naar Monte Faro en Alto del Príncipe leiden naar twee prachtige uitzichspunten die een mooie kijk geven op de ruige westkant van de eilanden, een enorm contrast met het paradijselijke strand aan de oostkant.  

138

De Kust van de Dood

15/08/2013

146

De Kust van de Dood heet het hier. En op dagen met mist of een zware storm, lijkt het einde der tijden inderdaad nabij. De golven met schuimkoppen die als tentakels de vissers of zelfs vissersboten naar diepe wateren willen trekken of ze op de door de wind en water geslepen rotsen smijten, de speurders naar eendenmosselen, die zich moeten vastketenen aan de rotsen om niet in zee te verdwijnen. Vanaf het vasteland klinkt Keltische doedelzakmuziek als laatste requiem. Op de foto boven deze post zien we de prachtige dood van de zon, want daar komt de naam vandaan. Hier sterft de zon in zee, ontdekten de Romeinen. En Finisterre, de beroemde kaap aan de Galicische kust, was het einde van de wereld. En zo voelt het ook. Hier houdt de wereld op, al lijkt de horizon verder te reiken dan aan de Spaanse oost- en zuidkust. En 145geen enkele kust biedt een mooiere zonsondergang dan de westkust van Galicië, recht boven zee. Een dood die in zee verdwijnt en niet opstijgt naar de hemel. Op de foto zien we hoe de zon indaalt in een nevelbank, alsof het een geboortekanaal is. Zo schilderde El Greco een wolkenband als tunnel naar het nieuwe leven in zijn meesterwerk de Begrafenis van de graaf van Orgaz. De Romeinen wisten ook al dat de zon stierf om op weg te gaan naar een nieuw leven. We hoeven ons maar om te draaien en zullen vroeg in de ochtend de eerste zonnestralen boven de bergen zien uitkomen. Misschien komt het door dit zo primitieve natuurverschijnsel dat het besef van de windrichtingen hier zo sterk is. Of misschien komt het door de geschiedenis van de pelgrimage naar Santiago waarmee Galicië onlosmakelijk is verbonden. De middeleeuwse pelgrim trok naar het uiterste westen en kon zich niet oriënteren, want dat doe je als je naar de Oriente gaat, naar het oosten. De Kust  van de Dood klinkt niet zo aantrekkelijk als de Costa del Sol of Costa Dorada. Maar het is vooral het wisselvallige klimaat dat buitenlandse strandgangers hier weghoudt. Op onze camping in Oia, een gehucht tussen de grensplaats A Guarda en Baiona, ten zuiden van Vigo spotten we in een week tijd maar één buitenlands kenteken, uiteraard een gele plaat uit Nederland, want Nederlanders kom je in iedere uithoek van de wereld tegen, dus ook aan het einde van de wereld.

Een mooi voorbeeld van landelijk toerisme

28/05/2012

Moet even op de bres springen voor de manager van hotel Casa Rosalía. Manager is misschien niet het goede woord, beheerder, gastheer of herbergier passen meer bij dit prachtige voorbeeld van agrotoerisme, turismo rural in het Spaans. Het woord hotel is ook niet goed gekozen, het heet niet voor niets Casa Rosalía, het huis van Rosalía. Deze Rosalía is Rosalía de Castro, de beroemde schrijfster en dichter van Galicië. Ze heeft niet in het huis gewoond, maar je ziet haar met een beetje voorstellingsvermogen zitten op het granieten bankje op de binnenplaats of in een hoek van de opkamer bij het haardvuur. Voor iemand die ongeveer 180 dagen per jaar in een hotel slaapt, is Casa Rosalía een verademing. De lobby is ingericht als een klein etnografisch museum met een oude schommelbank, of is het een deel van een trekkar, prominent in de kleine ruimte. De kranten liggen gewoon in een hoek van de bar, zonder dat er een groot stuk hout aan is vastgebonden, zoals in de moderne zakenhotels. In een zakenhotel in Salamanca viel me onlangs op dat ook de afstandsbediening aan een ketting lag. Zijn zakenmannen dan zo crimineel? Gevoel voor smaak hebben ze in ieder geval zelden, want de meeste zakenhotels waar wij wel eens terechtkomen, zijn zo sober, met veel te veel marmer en erg strak (te zakelijk) ingericht. Dat zijn hotels om op je kamer een pizza te bestellen. De zakenman die langs Casa Rosalía rijdt, zal waarschijnlijk niet stoppen als hij naast de deur het blauwe bordje ziet met slechts één ster. Er stoppen sowieso te weinig mensen, beklaagde de manager zich tegen me. Deze winter hield hij de deur op slot, terwijl de winter geen reden hoeft te zijn om niet naar Galicië te gaan. Chove en Santiago, dichtte Lorca. Het regent in Santiago zong Luar na Lubre en wie het lied hoort, hoopt ook dat het gaat regenen, waardoor het graniet van Santiago prachtig gaat glinsteren. Wie een romantisch weekend wil beleven hoeft eigenlijk niet eens het hotel uit. Dineren bij het haardvuur en als je een kamer op de tweede verdieping hebt, kijk je door het zolderraam zo naar de uitbundige sterrenhemel.

Het feest van Snoepgoed en Speelgoed

09/08/2011

Afgelopen zondag vierde Catoira het feest van de invasie van de Vikingen. Ik vertelde het al in mijn vorige post over het fakkelfeest in Taüll, in de zomermaanden vinden in veel dorpen de jaarlijke feesten plaats, omdat dat de periode is dat veel immigranten weer terugkomen naar hun dorp. Dat geldt zeker voor Catoira, dat aan de kust van Galicië ligt, een immigrantenstreek bij uitstek. Op de Santiago-reis ben ik regelmatig langs Catoira gereden tijdens de exursiedag langs de Rias Bajas. Op weg naar Villagarcia kom je over de brug die over de rivier de Ulla ligt. Daar in het water ligt een klein Vikingschip en staat de ruïne van de toren die ook rechts op de foto staat. Helaas kwamen we nooit door Catoira op de eerste zondag van augustus, de dag dat het dorp de plunderingen van de Vikingen herdenkt. En nu was ik in Sevilla en daar is het nu met 46 graden veel te warm, zelfs om een feestje te vieren. Ik was wel ooit op een ander feestje, ook in Galicië, in Os Anxeles, een dorpje niet eens zover van Catoira vandaan. Ik heb er geen foto´s van, maar het feestje maakte door zijn intimiteit een grote indruk op me. Os Anxeles, of Los Angeles in het Spaans, is eigenlijk niet eens een dorp, maar wordt gevormd door een aantal huizen die langs de weg staan tussen de AC543 richting Noia en Padrón, de plaats waar Camilo José Cela ligt begraven. Aan het begin van het dorp is een pleintje waar de dorpskerk staat en daartegenover staat hotel Casa Rosalia, ingericht in een oude boerderij. Daar sliepen we zes jaar geleden, toen we hoorden dat er ´s avonds feest zou zijn op het pleintje voor de kerk. Op een oplegger aan de ene kant van het plein speelde het orkest. Aan de andere kant was de bar en daar tegenover werd in een grote ketel de Queimada klaargemaakt, een brouwsel van brandewijn, suiker, stukjes citroen en koffiebonen. Bij het roeren werden magische teksten gesproken, want de traditie van de queimada komt uit de geschiedenis van de hekserij. Aan de zijde tegenover de kerk stond de snoepgoedkraam en de speelgoedkraam, juguetes en golosinas, beheerd door een echtpaar. De man verkocht speelgoed, de vrouw ontfermde zich over het snoepgoed. Midden op het plein werd gedanst, vooral door de oudjes van het dorp. Zelfs toen het begon te regenen, bleven ze dansen, maar nu onder de paraplu die de mannen omhoog hielden en daarbij hun dansende echtgenote dicht naar zich toetrokken. Alsof we in een romantische film waren beland.