In het land van de Maragatos

Als ik de hoofdstraat van El Ganso inloop, kijk ik verrast naar de torenklok. Tien over één. Heb ik zo snel gelopen? Een horloge heb ik niet bij me, op mijn pelgrimstocht wil ik bevrijd zijn van de tijd, geen slaaf zijn van de wijzerplaat. Ik wandel van torenklok naar torenklok. Ik kan mijn ogen niet geloven en vraag het daarom aan een oud mannetje dat me aanstaart vanaf een bankje. ‘Hombre, deze klok staat al jaren stil, het is al bijna drie uur.’ Als ik rond kijk, lijkt het alsof niet alleen de tijd stil staat. Hier is al in jaren niets veranderd. Het enige dat beweegt is de stoet van pelgrims die door de hoofdstraat trekt, hoofdschuddend aan- en nagekeken door de Gansonezen.

Alleen Ramiro lijkt te zijn ontsnapt aan de eeuwige stilstand. Aan het einde van de hoofdstraat heeft hij een bar geopend, een saloon die in het Wilde Westen niet zou misstaan. Ramiro is een oud-legionair en dol op spaghettiwesterns, dat hoeft hij me verder niet uit te leggen in zijn bar El Cowboy. Ieder moment verwacht je dat Clint Eastwood met twee getrokken revolvers binnenstapt. Ik drink een glaasje cider dat hij met een sierlijke boog in het glas giet, en daarna ga ik verder.

Net voor het einde van het dorp vul ik mijn bidon met water bij een fonteintje. Een ander oud mannetje, er zijn hier alleen maar oude mannetjes en vrouwtjes, schuifelt langzaam naar me toe. ‘Hee, is het water lekker?’ Ik knik instemmend. ‘Waar kom je vandaan,’ wil hij weten. Als ik zeg dat ik in Salamanca woon, begint de man te trillen. Hij grijpt me bij mijn arm en op krachtige toon zegt hij: ‘ik ben in Salamanca naar de hoeren geweest!’ Voor ik het besef, doet hij het hele verhaal uit de doeken. Hij diende in het leger, in de tijd van de dictatuur van Franco. Hij was op weg naar Zaragoza en moest overnachten in Salamanca. Daar ontmoette hij twee kameraden en na een paar wijntjes besloten ze de dames van plezier op te zoeken. Naarmate hij meer details onthult, begint hij steeds harder in mijn arm te knijpen. Hij nodigt me uit om met hem op het bankje bij de fontein te gaan zitten, hij heeft wel zin in een praatje. Waarschijnlijk kent het hele dorp zijn verhaal al en is hij blij dat er af en toe een vreemdeling langskomt, waar hij even tegen kan praten. Ik leg de oude man uit dat ik nog helemaal naar Manjarín moet en dat is nog meer dan vijftien kilometer lopen. De man haalt zijn schouders op, ‘Rabanal is ver genoeg voor vandaag’. Toch sla ik het aanbod af, al had ik graag gebleven om naar zijn verhalen te luisteren. De geschiedschrijver zou zijn hart ophalen, hier in El Ganso, een dorp in het hart van het land van de Maragatos.

Het land van de Maragatos ligt in de bergen van León. Hier hebben de dorpen namen als Murias de Rechivaldo, Castrillo de Polvazares, Santa Catalina de Somoza, el Ganso, Rabanal de Camino en Foncebadón. Het is een gebied waarvan je op het eerste gezicht denkt, wat moet ik hier doen? En ook de mensen die je in deze dorpen aantreft, kijken je aan met een blik van: wat kom je hier doen? Tenzij je met rugzak en een daarop bevestigde schelp langs komt wandelen. Het zijn vooral de pelgrims op hun weg naar Santiago de Compostela die voor het leven in deze gemeenschappen zorgen, de pelgrimsweg als een soort levensader die bijna het hele jaar door volop actief is.

De mensen die hier wonen, noemen zich de Maragatos. In de vroege middeleeuwen, toen het Iberisch Schiereiland werd bezet door islamitische volkeren, zou een van die volkeren, de Berbers, zich in deze streek hebben vermengd met de Visigoten. De Visigoten kwamen oorspronkelijk uit Scandinavië, de Berbers waren hun reis begonnen in het Marokkaanse Atlasgebergte. Ze troffen elkaar in de bergen van León. Het bleek liefde op het eerste gezicht, want Berbers en Visigoten smolten vredelievend samen. Door deze kruisbestuiving hebben de bewoners van de streek nog steeds een donker gelaat waarin een paar lichte ogen prijken.

Eeuwenlang leefden de Maragatos geïsoleerd in de bergen van León. Vroeger werkten ze als muilezeldrijvers. Maragato betekent ook ezeldrijver. Met hun ezels haalden ze de goederen op die aan de Galisische kust aan wal kwamen en vervoerden die vervolgens naar Madrid. Nu ligt er de snelweg A6, waarover de vrachtwagens heen en weer gaan om onder andere de vis op te halen aan de kust van Galicië om die nog dezelfde dag vers af te leveren op de markten van Madrid. Dat was met een ezel nooit gelukt. En dus staren de paar ezels die in de streek nog voorkomen, dromerig voor zich uit. Ze hadden graag nog eens een reis ondernomen naar Madrid of Galicië, maar hun baasjes zijn te oud. Die komen niet verder dan het einde van de straat. Voor hen is dat het ook het einde van de wereld. Niemand hoeft hen uit te leggen hoe je moet onthaasten. En daarom kijkt mijn oude vriend mij hoofdschuddend na, als ik mijn weg naar Manjarín vervolg. Waarschijnlijk begrijpt hij er niets van dat ik nog zo ver doorloop vandaag. Of komt het omdat ik Manjarín heb uitgekozen om de nacht door te brengen.

Tony, de beheerder van de herberg in Hospital de Obrigo had me verteld over tempelier Tomás in Manjarín. ‘Wat je plannen ook zijn voor morgen, gooi ze in de vuilnisbak en zorg dat je overnacht in Manjarín, je zult zien, het wordt een onvergetelijke ervaring. Ik heb er zelf een aantal jaren geleden geslapen en omdat ik de enige gast was, mocht ik in het huis van Tomás slapen. Ik heb geen oog dicht gedaan. Overal zag ik schimmen, bewegende schaduwen op de muren en hoorde ik geluiden. Of ik verbeeldde me het, misschien probeerde Tomás me op de proef te stellen.´ Ik kijk Tony ietwat spottend aan. Kort daarvoor had hij zijn levensverhaal verteld. Hij was geboren op Cuba, zijn vader kwam uit Noord-Korea en zijn moeder was geboren in Nigeria en opgegroeid in Spanje. Op Cuba hadden zijn ouders elkaar ontmoet. Dit verhaal klonk al fantastisch maar met zijn verhaal over Manjarín overdrijft Tony toch. Niettemin besluit ik naar zijn woorden te luisteren. Ik had toch nog geen plannen gemaakt voor de komende dagen.

Vroeg in de ochtend verlaat ik de herberg om op weg te gaan naar Astorga. De pelgrim heeft twee mogelijkheden om de stad te bereiken. Ik kies voor de omweg, omdat het alternatief is om weer een heel stuk linea recta langs de nationale weg N360 te lopen. De omweg gaat door S.Feliz de Orbigo, Villares de Orbigo en Santibañez de Valdeiglesias. Dorpen die als een oase in het landschap liggen, waar je je bidon met water kunt vullen bij de fontein, koffie kunt drinken in de dorpsbar of gewoon een praatje kunt maken met een lokale bewoner.

Na Santibañez doemen steeds meer bomen op. Ik tel er zoveel dat ik er een bos in zie en vraag me af hoelang het geleden is dat ik zoveel bomen bij elkaar heb gezien. Waarschijnlijk was het nog voor Burgos, voor de tocht over de Meseta, de eindeloze vlakte tussen Burgos en León. Het landschap wordt ook steeds glooiender. In de verte doemen de bergen op die de grens met Galicië markeren, maar daarvoor ligt nog Astorga, ooit door de Romeinen gesticht als Astruca. Nog een heuvel en dan heb ik een prachtig uitzicht over de stad. De kathedraal torent er triomfantelijk bovenuit.

Eenmaal in de stad trekt de plaza mayor me als een magneet naar zich toe. Dat is de kracht van die Spaanse centrale pleinen. Uit welke richting je ook komt, altijd kom je uit in de huiskamer van de stad. En dat vind ik helemaal niet vervelend als ik naar de terrassen kijk. Aan de hoofdkant van het plein staat het gemeentehuis, waar twee Maragaten ieder uur de klok mogen slaan en is het verleidelijk om iets van het plein vandaan een zijstraatje in te lopen naar het chocolademuseum. Sinds de 17e eeuw wordt er al chocola gemaakt in Astorga, ongeveer honderd jaar nadat Hernan Cortés een cacaoplant meenam uit Mexico. Aan het begin van de 20e eeuw telde Astorga maar liefst 47 chocolademakers. Na het plaza mayor volgt er nog een plein en dan doemt de kathedraal en het bisschoppelijk paleis op. De strenge gotische kathedraal weet de culturele blik van de pelgrim niet te vangen, die gaat uit naar het speelse en frivole bisschoppelijk paleis. Ooit ontwierp de meester van het Modernisme, Antoni Gaudí, het voor de Catalaanse bisschop Grau. Maar in Astorga waren ze niet blij met de plannen van Gaudí, de tekeningen werden met veel correcties teruggestuurd naar Barcelona tot grote ergernis van de koppige Gaudí. Hij besloot zijn handen er vanaf te trekken. Ze zochten het maar uit daar in Astorga. De Catalaanse bisschop heeft zijn paleis nooit bewoond en tegenwoordig is het ingericht als een museum van de pelgrimsweg.

 

Door de achterdeur verlaat ik Astorga en stap zo het land van de Maragatos binnen. Ik heb de verleiding weten te weerstaan om neer te strijken op een van de terrassen in de stad, maar inmiddels begin ik wel honger te krijgen. Ik tel de kilometers op mijn routekaart en vraag mijn maag nog 8,75 kilometer geduld te hebben. In Santa Catalina de Somoza gaan we aan tafel. Eenmaal in het dorp roepen de dagmenu´s vanaf grote zwarte krijtborden: ‘kom hier cocido maragato eten, het gerecht van de streek’. Bij een van de krijtborden krijg ik gezelschap van de serveerster. Of ik al eens cocido op heb. Als ik nee knik, begint ze de hele lijst van ingrediënten op te noemen, er lijkt geen einde aan te komen. In de stoofschotel gaat rundvlees, beenham, varkensoren- en pootjes, rookvlees, lamsvlees, spek, een brei van brood, ei, knoflook en peterselie, kikkererwten, kool en groenten. En als dat allemaal je maag heeft bereikt, wordt het afgesloten met de vermecellisoep, waarin alles wordt klaargemaakt. Dat is het bijzondere van de cocido maragato, want bij de stoofschotels in andere Spaanse regio´s begin je juist met de soep. Waarom ze hier eindigen met de soep weet het meisje niet. Misschien waren ze hier bang dat het vlees koud zou worden als eerst de soep werd gegeten, raadt ze. ´Oh ja, we hebben trouwens ook heerlijke toetjes’, glimlacht ze als ze mijn wanhopige blik ziet. Hoe kan ik deze veestapel meetorsen naar Manjarín, bedenk ik me. Zijn er ook broodjes kaas?

Ik beloof het meisje nog een keer terug te komen om de cocido maragato te proberen.   Ik neem afscheid van haar en ga op weg naar Foncebadón, een gehucht dat halverwege de beklimming van de Monte Irago ligt. Eeuwen geleden stond er een klooster en een hospitaal, dat de kern van het inmiddels verlaten Foncebadon vormde. Nu fungeert het plaatsje als basiskamp voor de pelgrims die zich daar voorbereiden op de klim naar het IJzeren Kruis, La Cruz de Ferro. Ter ere van de goden werden er vroeger stenen bij het kruis neer gelegd. De goden zouden de reiziger dan beschermen op hun avontuur. De pelgrims die in de loop der tijden langs het kruis zijn getrokken, hebben de traditie een nieuwe invulling gegeven. De steen die zij daar achterlaten, brengen ze van thuis mee en dient tot aankomst bij het kruis als een vorm van boetedoening, een last die moet worden meegedragen. Het valt me op dat op honderden meters voor het kruis nog voldoende stenen op het pad liggen, niet iedereen is zo gemakzuchtig als ik, om pas op het laatste moment een steen op te rapen. Rond de hoge houten paal, waarop het kleine ijzeren kruis is bevestigd, ligt een berg van stenen. Een andere beschrijving is er niet te maken. Het is een berg op een berg. Ik wil mijn steen niet zo maar neergooien, maar hem een mooie plaats geven, in het zicht van de pelgrims die langs zullen komen. Maar als ik mijn steen neerleg, gaat hij gelijk op in de stenen die er om heen liggen.

De top van de Monte Irago markeert het einde van het land van de Maragatos. Het is nu nog maar een klein stukje naar Manjarín, een gehucht op 1.460 meter hoogte, verstopt in de bergen van León. In het bevolkingsregister staan nog drie namen, waaronder de naam van Tomás die in Manjarín een pelgrimsherberg beheert. In mijn reisgids staat dat de herberg plaats biedt aan twintig mensen. Er is een keuken, maar geen toilet en ook geen douche. Ik had al verschillende mensen onderweg gesproken, die op eerdere tochten Manjarín waren gepasseerd. Het is een unieke plaats, waar je even kan uitrusten en van het landschap kan genieten, je kan er ook koffie drinken, een uniek shirt kopen van de orde van de tempeliers, door Tomás zelf ontworpen, maar blijf er niet slapen, was het algemene advies. En inderdaad, een herberg, waar geen toilet of douche is, klinkt niet erg uitnodigend. Bovendien waren slechts een paar kilometer voor en na Manjarín ook nog adressen om de nacht wat comfortabeler door te brengen.

De weg loopt langzaam naar beneden, Manjarín is nog maar drie kilometer verwijderd, maar hoe ik ook in de verte tuur, ik zie niets dat op een dorp lijkt. Mijn fantasieën over de nederzetting worden steeds groter. Ik stel me Tomás voor als een man die ´s nachts in een alchemist veranderd, die vreemde drankjes brouwt met om hem heen grote boeken met raadselachtige formules. Ik zie hem voor me gebogen over een middeleeuwse schatkaart van perkament, waarop hij de plaats zoekt waar de Heilige Graal ligt begraven. Opeens wandel ik voorbij het bordje dat aangeeft dat ik in Manjarín ben. Maar als ik om me heen kijk, zie ik alleen een caravan, die wat verder van de weg staat. De weg maakt een bocht en loopt weer iets omhoog en dan op het hoogste punt zie ik de nederzetting van Tomás. Althans wat ik zie is het enige wat in de buurt komt van hoe ik me de schuilplaats van Tomás had voorgesteld. Het is een roversnest, zoals we die vroeger maakten in het bos, van planken, vloerkleden en andere materialen die we overal vandaan sleepten om ons kasteel te verfraaien. Zo moet Tomás ook jaren bezig zijn geweest om zijn paleis in te richten.

Voor de oprit naar zijn domein staan op houten planken de namen geschilderd van verschillende plaatsen op de wereld, Jeruzalem, Machu Picchu, Santiago, inclusief de afstand in kilometers. Daarnaast wapperen de Baskische en Catalaanse vlag. Zou Tomás met zijn Manjarín zich ook willen afscheiden van Spanje? Als ik het erf opwandel, wordt de bel geluid. Een bezoeker is gearriveerd. De eerste vraag is of ik blijf slapen. Ik beantwoord bevestigend en kijk de jongen nauwlettend aan, maar op zijn gezicht zie ik geen enkel spoor van verbazing, eerder een blik van onverschilligheid. De jongen legt de huisregels uit. Er is geen stromend water, geen toilet en ook geen douche. Als ik me wil wassen moet ik de weg verder volgen. Vijftig meter verderop aan de linkerkant is een bron, daar kan ik water halen, maar ik mag geen zeep of shampoo gebruiken. Als ik naar het toilet wil, moet ik het vragen bij het huis schuin tegenover aan de andere kant van de weg, maar liever niet ´s nachts. De jongen wijst me de slaapplaats. Het is een klein huisje tegenover de residentie van Tomás, die ik overigens nog steeds niet heb gezien. Als ik in het huisje een matras heb uitgezocht, ga ik naar de bron, waar een oude man bezig is om een grote bak met water te vullen. Hij herhaalt de woorden van de jongen, geen zeep en geen shampoo, alleen spreekt deze man in het Portugees. Zijn naam is Joaquin, een man die helemaal thuishoort bij het roversnest van Tomás. Ik ben niet de enige gast, er is een jong stel uit Frankrijk, een moeder met dochter uit de Verenigde Staten en Fiona, die uit Beijing komt en deze naam in Spanje heeft aangenomen, geïnspireerd door de prinses van Shrek. Aan het einde van de middag kom ik haar tegen als ik de omgeving verken. Fiona kijkt hoe de zon zich langzaam gaat verschuilen achter de bergen, die Manjarín omringen. ´Vannacht is het zwarte maan, zegt ze in het Spaans. Je bedoelt volle maan, niet negra maar llena, verbeter ik haar. Ze kijkt me spottend aan. Natuurlijk weet ze het verschil tussen volle en zwarte maan in het Spaans. Maar wist ik wel wat zwarte maan betekent. Aarzelend antwoord ik dat ze wellicht een maansverduistering bedoelt, maar bij het gezicht dat ze daarop trekt, weet ik dat dit niet het goede antwoord is. Ik vraag haar wat een meisje uit Beijing in Manjarín doet. ´Het is hier zo rustig’, verzucht ze. Ik kijk om me heen en probeer me voor te stellen hoe het centrum van Beijing er op hetzelfde moment uit moet zien. Ze heeft gelijk.

´s Avonds schuift Tomás aan om met zijn gasten de paella te eten, die hij samen met de Portugees Joaquin heeft bereid. De jongen, die mij vanmiddag onthaalde, houdt met een groot waterpistool de honden van Tomás op afstand. Ik neem Tomás in me op, het is een zwijgzame man, roept af en toe wat naar de honden, maar maakt nauwelijks contact met zijn gasten. En ook ´s nachts laat hij ons met rust. Geen schimmen en geen gehuil van wolven of andere geluiden. Maar dan wel opeens een bewegende schaduw op de muur. Het is Fiona die haar zwarte maan gaat aanbidden.

Eén reactie to “In het land van de Maragatos”

  1. H.W. Knebel Says:

    Hoop, dat we begin juni met de vrinden van het Catharinagilde een stuk kunnen lopen, zoals je hier beschrijft in het Land van de Maragatos.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s


%d bloggers liken dit: