Een tuinhuis vol speelgoed

16/07/2018

Zo rond half elf gaan de deuren open. Tafeltjes en krukjes worden buiten gezet. De eerste kinderen komen met hun vader, moeder, opa en/of oma het parkje binnenwandelen. Ze snuffelen even in het tuinhuisje en komen dan naar buiten. Met een kleurplaat, een raceauto, ganzenbord of badmintonrackets. Ook al is het prachtig weer en is het strand dichtbij, iedere dag zijn alle krukjes bezet. In twee parken in ons dorp worden ieder jaar bij het begin van de zomervakantie de tuinhuisjes neergezet en volgestouwd met speelgoed. Je zou denken dat dit een initiatief is voor kinderen uit arme gezinnen die zich geen speelgoed kunnen veroorloven, maar niets is minder maar. Deze ludotheken moeten de kinderen niet ván de straat maar juist óp de straat houden. Spanjaarden zijn graag buiten. Parken, pleinen en barren zijn sociale ontmoetingsplaatsen. En dat geldt ook voor dit kleine speelgoedparadijs. Een paradijs, waar de begeleidsters niet bang hoeven te zijn dat het speelgoed stiekem mee naar huis wordt genomen en waar ouders en grootouders aan het einde van de ochtend en middag helpen om het speelgoed weer op te bergen. 

De belangrijkste reden om deze ludotheken te organiseren is om te voorkomen dat kinderen zich gaan vervelen, want hun zomervakantie is lang. Op vrijdag 22 juni renden de kinderen voor het laatst uit school en op maandag 10 september begint het nieuwe schooljaar. Elf weken vakantie. Geen werkende vader en/of moeder die zo´n lange vakantie heeft. Dus opa en oma worden ingeschakeld, kinderen worden naar zomerkampen gestuurd, niet alleen om te spelen, maar ook om bijvoorbeeld Engels te leren. Ook de gemeente van ons dorp organiseert deze zomerkampen, de zogenaamde campamentos urbanos. De animo is zo groot dat er wachtlijsten zijn. De kinderen mogen maximaal een maand deelnemen. Van negen tot één duren de activeiten. Zo wordt er weer een dagdeel van de lange vakantie ingevuld. Onder het afdak van de sporthal in onze straat zitten een paar keer per week een stuk of tien kinderen met twee ouderen aan twee lange tafels. Het is een klein klasje dat schaakles krijgt.      

Anuncios

De trein kwam nooit aan bij de Middellandse Zee

04/07/2018

Net voor aankomst bij het station van Yera vulde de vallei zich met mist. Alsof het station en de troosteloze omgeving niet gezien mochten worden. Of was het juist om de teloorgang van deze plaats te benadrukken. Een verlaten en vervallen station, het perron overwoekerd met onkruid, een waterpartij op de plaats waar nooit een spoorlijn lag. Want hier reed nooit een trein. Hier stond nooit iemand op het perron te wachten. Niet ver van het station duikt een tunnel de bergen in. De tunnel van La Engaña, genoemd naar het riviertje dat er uit de bergen komt stromen. Maar ze hadden de tunnel ook Engaño kunnen noemen, met een o. Dat betekent bedrog in het Spaans en dat is wat deze spoorwegtunnel is. Er reed nooit een trein doorheen. Wel vrachtwagens, als in de winter de bergpas van Escudo door zware sneeuwval weer eens werd afgesloten. Tot 1999. Toen stortten delen van de tunnel in.

De tunnel is bijna zeven kilometer lang, 9676 meter om precies te zijn, en was de langste tunnel van Spanje tot de tunnels voor de hogesnelheidstrein in Barcelona en Madrid werden geboord. Deze tunnel in het zuidwesten van Cantabrië werd in de jaren veertig uitgehakt door Republikeinse gevangenen. 370 gevangenen begonnen aan de zuidkant, 190 gevangenen kropen aan de noordkant de berg in. De tunnel, en ook het station, maakten onderdeel uit van het faraonische project om de Cantabrische kust met de Middellandse Zeekust met een spoorlijn te verbinden. Het idee werd al in de jaren twintig bedacht door generaal Miguel Primo de Rivera, maar de uitvoering begon pas na de Spaanse burgeroorlog. Aan beide kanten van de bergen kwam een dorp met een school en een kerk om de gevangenen onder te brengen. In 1961 werden de werkzaamheden gestaakt. Nooit zou er een trein van Santander naar Sagunto rijden.

De vier tunnels en de drie stations werden een inktzwarte vlek in het zo mooie groene gebied van Pasiegos. Hier komen de lekkerste botercakejes van Spanje vandaan; de soboas. Spreek uit als sobau. Het centrum van deze industrie is het dorp Vega de Pas, waar nog veel ambachtelijke bakkers zijn. Vanuit het dorp is het maar een klein stukje rijden naar het station. Veel nieuwsgierigen komen er een kijkje nemen. Aan de graffity en het afval in en rond het station te zien is het ook een favoriete stek voor hanggroepjongeren. Er zijn plannen om dit omstreden erfgoed een nieuwe functie te geven. Zowel de provincie Burgos als Cantabrië willen de tunnels restaureren en inrichten als via verde. Een groene weg voor fietsers en wandelaars, zoals er veel zijn in Spanje. Voorlopig worstelt men nog met de kosten, 15 miljoen euro. Maar om deze zwarte bladzijde van de Spaanse geschiedenis nu een groene kleur te geven, zo groen als het landschap, is de best denkabre oplossing.    

 

 

De stilte van Somiedo

26/06/2018

Pas op voor overstekende beren. Dit bord zou je eerder in Canada verwachten dan langs een Spaanse weg. Maar het bord staat echt langs een Spaanse weg, tussen de dorpen Aguamestas en Villar de Vildas aan de rand van het natuurgebied van Somiedo in Asturië. In deze regio is vooral het nationale park Picos de Europa bekend, waar jaarlijks duizenden natuurliefhebbers uit binnen- en buitenland neerstrijken. In de zomer zijn de Picos het Benidorm van de natuurparken. Dan is het beter vertoeven in Somiedo, een oase van rust. Het natuurpark ligt ten zuidwesten van Oviedo, de hoofdstad van Asturië.  Deze streek is nog nauwelijks bekend terwijl het op het gebied van fauna toch uitblinkt door de aanwezigheid van meer dan 160 bruine beren. Samen met de Catalaanse Pirineëen is dit de enige streek in Spanje waar de bruine beer voorkomt. Al is het lastig om ze ook echt te zien. Ze zijn mensenschuw en houden zich schuil in de dichte bossen van beuken en eiken. Op onze weg naar Pigüeña, waar we een weekeinde doorbrachten, kwamen we het bord op de foto boven deze post verschillende keren tegen. Het dorpje Pigüeña heeft zijn naam gegeven aan een van de vier belangrijke valleien van Somiedo en aan de rivier die door de vallei stroomt. Dat we in dit dorpje waren terecht gekomen door het huren van een oude Asturische boerenwoning via Airbnb was een schot in de roos. Aan de westkant van het park leven de mensen in volledige harmonie met de natuur. Er zijn nog wat klompenmakers, veehouders, boeren met kleine moestuinen. Overal staan de hórreos, de grote vierkante voorraadschuren op hoge palen. Onder de schuren hangt de was te drogen en staan de landbouwwerktuigen gestald. In Pigüeña was een week voor onze komst bar Ricardo geopend, de enige bar in het dorp. Het meisje achter de bar wist te vertellen dat er in het dorp 18 mensen wonen. Op een bordje achter de bar stond te lezen dat er in de bar plaats is voor 24 gasten. Op bezoekers is dus gerekend.

Iedereen in het dorp heeft wel eens een beer gezien. Af en toe steken ze de kleine weiden over die vanuit het dorp in de bergen zijn te zien. En in het najaar komen ze naar de rand van het dorp als de fruitbomen hun vruchten laten vallen. Een familie uit Burgos had in de meivakantie vanaf het uitzichtspunt bij El Robledo maar liefst 8 beren gespot Toen wij op dat punt stonden moesten we het doen met één hert. Maar met heel veel geduld en geluk zou je in Somiedo de Cantabrische big five kunnen spotten; beer, gems, edelhert, wolf en zwijn. Maar wie dat geluk niet heeft, vindt voldoende troost in de prachtige natuur van Somiedo. Een mooie wandelroute gaat naar de schuilhutten van Pornacal. Een weidegebied, waar de boeren hun koeien naar toe brachten om ze te laten grazen. Bij Pornacal staan nog 32 exemplaren, omringd door gele brem. De wandeling begint bij het dorp Villar de Vindas Aan de oostkant van het park ligt de belangrijkste plaats, Pola de Somiedo, met veel meer inwoners, voorzieningen, appartementen en horeca-voorzieningen, en daardoor veel minder sfeervol dan Piguëna of Villar de Vindas. Pola is wel een goede uitvalsbasis voor een andere mooie wandeling, die leidt naar de meren van Saliencia. Wij zagen die alleen op de foto´s in het bezoekerscentrum, omdat dit wel een hele pittige wandeling was, zeker met kruk en kinderwagen. Geen beren en geen meren voor ons, maar de impressies van het natuurgebied van Somiedo en zeker het dorpje Pigueña, zijn voldoende aanleiding om hier weer eens terug te keren.

Teruel bestaat, en zijn vliegveld ook

30/05/2018

Deze foto is genomen vanaf de weg tussen Teruel en het kleine bergdorpje Albarracín. Toen we vier jaar geleden voor het eerst de vliegtuigen tussen de graanakkers zagen, keken we onze ogen uit. Had nu ook Teruel een vliegveld. Teruel, gelegen in het oosten van Spanje, is met 33000 inwoners de kleinste Spaanse provinciehoofdstad. De stad moest zich jaren geleden letterlijk op de Spaanse landkaart schreeuwen met de leuze Teruel existe!!, Teruel bestaat. Want het leek of de bestuurders van Madrid dat niet wisten. Teruel was de enige provincieplaats die niet aan een snelweg lag. Door dat isolement kwam er ook nauwelijks internationaal toerisme om van de prachtige mudéjartorens en de heerlijke jamón blanco te genieten, of om het verhaal te horen van de Spaanse Romeo en Julia, los amantes de Teruel, die in de kerk van San Pedro liggen begraven. Europese subsidies gingen aan Teruel voorbij en geen enkele politicus uit Madrid kwam campagne voeren in Teruel. De stad had een laag werkeloosheidscijfer, want wie geen werk had vertrok. Het inkomen lag boven het gemiddelde in Spanje, maar dat kwam door de pensioenen. En bij het uitdelen van subsidies werden de berekeningen gemaakt op basis van de inkomsten van de hele autonome regio en daar had Teruel de pech dat het in de welvarende regio van Aragón ligt met Zaragoza als de rijke hoofdstad. 

Maar inmiddels ligt Teruel aan de snelweg A23 die Valéncia met Zaragoza verbindt en heeft de stad sinds 2013 een vliegveld. Maar er was iets vreemds aan de luchthaven, viel ons op, toen we er de eerste keer langs reden. We zagen geen verkeerstoren en geen terminal. Er was alleen een hangar en de vliegtuigen stonden wel erg dicht op elkaar. Op sommige vliegtuigen ontbraken de kleuren en de naam van de luchtvaartmaatschappij. Maar wat wij zagen en waarvan wij dachten dat dit weer zo´n spookvliegveld was, zoals er wel meer in Spanje zijn aangelegd de laatste jaren, bleek een heel groot succes te zijn. Teruel heeft de grootste parkeerplaats voor vliegtuigen van Europa. Hier wachten vliegtuigen op een koper, op een grote onderhoudsbeurt of om helemaal ontmanteld te worden. Er is plaats voor vijfhonderd vliegtuigen. Vanuit Tokyo, Kuala Lumpur en Tapei komen de Boeings 747, de Jumbo´s en de Bombardiers naar Teruel vliegen. Ook de ruimtevaartindustrie heeft Teruel ontdekt. Het vliegveld heeft 150 directe banen gecreëerd, De toeleveringsbedrijven, hotels en restaurants doen goede zaken. Teruel heeft zich na jaren schreeuwen niet aleen op de Spaanse landkaart gezet, maar ook op de boordcomputers van veel vliegtuigen.

Links of rechts

04/05/2018

Daar staan we dan, op een klein pleintje. Rond het pleintje hoge coniferenhagen met daartussen drie paden. Een pad dat ons op het pleintje bracht en twee paden voor ons. We zijn in het grootste labyrint van Spanje. Het doolhof heeft een oppervlakte van 5500 m2 en ligt in Cantabrië, niet ver van bekende plaatsen als Santillana del Mar en de grotten van Altamira. Ruim een jaar geleden werd het doolhof geopend. Het idee was van Emilio Pérez Carral, een gepensioneerde brandweerman die waakte over de bossen in zijn streek. Samen met vrienden en familie plantte hij meer dan vierduizend Cipreses Leilandi en creëerde een fascinerend doolhof zoals die in de 18e eeuw in de Europese paleistuinen werden aangelegd. Maar daar waren het vooral lage buxushaagjes die vanaf boven, vanuit de ramen van het paleis er uitzagen als tapijten. Nu dwalen wij langs meer dan twee meter hoge hagen. Het pleintje, bijna in het centrum van het labyrint, hadden we aardig snel gevonden, maar de weg naar de uitgang, waar ook de ingang is, is een zwaardere opgave.

Het moet er vanuit de lucht grappig uitzien. Groepjes mensen die als mieren over de paden dwalen. Je geduld wordt op de proef gesteld als je weer eens een doodlopende gang inloopt of als halverwege een laan voor de vijfde keer hetzelfde echtpaar hoofdschuddend terugkomt. Aan beide zijkanten van het labyrint zijn nooduitgangen en de verleiding wordt steeds groter om daar maar uit het hek te stappen. Maar dan hoor je opeens iemand roepen dat de uitgang in zicht is, en afgaand op het geluid en de weg vragend aan lotgenoten die net aan hun missie zijn begonnen, doemt daar het verlossende hekje op, waar je anderhalf uur eerder door naar binnen bent gestapt. Kinderen tot zes jaar doen dat gratis, boven die leeftijd is de entreeprijs vier euro. Buiten het doolhof is een bar, zijn picknickplaatsen, toiletten en een grote parkeerplaats.  Voor wie na het avontuur weer even ver van zich af wil kijken, is het een goed idee om naar de kust te rijden, bijvoorbeeld naar Suances, op nog geen half uur rijden van Villapresente. Als je in deze badplaats de borden faro aanhoudt, kom je uit bij het einde van het dorp, waar naast de vuurtoren ook het restaurant El Caserío is. Daar heb je al een prachtig uitzicht op het strand van Suances en op de achtergrond de besneeuwde bergen. Aan het einde van de parkeerplaats voor het restaurant gaat een trap naar beneden tot de playa de los locos, inderdaad, het strand van de gekken. Vroeger was hier een inrichting. Nu staat er onder andere het populaire  strandpaviljoen chiringuito de los locos. Het gezellige terras biedt uitzicht op zee en de kliffen. 

De omhaal komt uit Bilbao

06/04/2018

In Madrid zijn ze nog lang niet uitgesproken over de omhaal van Ronaldo tegen Juventus. In de sportkranten AS en Marca worden alle details van zijn actie belicht. De hoogte van de uitgestrekte voet en rug van de Portugees berekend vanaf de grasmat, de snelheid van de bal, etc. In de Baskische krant El Correo kwamen ze met een hele andere invalshoek. De omhaal is bedacht door een speler uit Bilbao. Het is weer een mooi voorbeeld van een typische bilbainada, de typische grootheidswaanzin van de inwoners van Bilbao. Ik schreef al eerder over dit fenomeen. Maar dit  verhaal wordt met steekhoudende argumenten onderbouwd en legt ook nog eens uit, waarom de omhaal in het Spaans een chilena heet. De hoofdrolspeler is de man van het standbeeld op de foto boven deze post, Ramón Unzaga. De voetballer werd in 1894 in Bilbao geboren en vertrok op 12-jarige leeftijd naar Chili. Zes jaar later nam hij de Chileense nationaliteit aan.

Hij maakte furore als voetballer in Talcahuano, terwijl hij doordeweeks werkte als boekhouder bij een kolenmijn. De eerste omhaal zou hij gemaakt hebben in 1914. Niet om een doelpunt te maken, maar om de bal uit het eigen zestienmetergebied te jagen. Het werd zijn handelsmerk. Bij de interlands om de Copa America kreeg Unzaga in landen als Argentinië, Brazilië en Uruguay internationale erkenning met zijn acrobatische actie. Daar hadden ze de omhaal nog nooit gezien. In die landen werd in de pers voor het eerst over la chilenita gesproken. Overigens verloochende Unzaga met zijn karakter zijn Baskische afkomst niet. Het was een heethoofd die regelmatig met rood uit het veld werd gestuurd. Een keer kwam hij terug uit de kleedkamer met een pistool, liep op de scheidsrechter af en schoot twee keer in de lucht. Voor een keer kwam het eindsignaal niet uit de fluit van de scheidsrechter. Vier jaar geleden, in 2014, precies honderd jaar na zijn eerste omhaal, kreeg Unzaga een standbeeld voor het stadion, dat ook al zijn naam had gekregen en waar La Naval speelt, een club uit de Tweede Divisie. 

Bij de buren, maar niet op de koffie

23/03/2018

Het was al heel wat dat we over dit landgoed, halverwege onze straat, mochten rondlopen; door de tuin, langs het zwembad en over het terras achter het paleis. Ruim twee jaar geleden plaatste ik een blog over dit paleis van Ocharán, een rijke industrieel uit Bilbao. Toen bleven de hekken in de dikke hoge muren nog hermetisch gesloten. Maar nog geen twee maanden na die publicatie mocht mijn oudste zoontje opeens wel met zijn klas naar binnen. Schoorvoetend begon de eigenaar van de familie een belofte aan de gemeente in te lossen. De familie De la Via, eigenaar van een grote steengroeve net buiten ons dorp zou in ruil voor de uitbreiding van de groeve, een deel van de tuinen openstellen voor het publiek. Maar dat is lastig te organiseren zonder nieuwe hoge muren te plaatsen tussen het openbare en het privé-gedeelte van het landgoed. Een paar maanden geleden werd besloten dat de gemeente twee keer per maand een rondleiding mag organiseren voor maximaal 25 personen per groep. De familie van het paleis bepaalt de data dat bezoekers welkom zijn.

Gisteren waren wij een van de uitvekorenen. De gids vertelde vooral over de verschillende bomen en planten. De arme man werd al snel tegenover de hele groep terecht gewezen, of beter gezegd, terechtgesteld, door drie mannen die net iets beter op de hoogte van de flora aan de groene kust. Een bijzonder detail is dat het zwembad, op de foto boven deze post wordt gevuld met zeewater dat met een sterke instalatie hoog de heuvel wordt opgepompt waar het paleis staat. Zoals al ik in mijn eerdere post schreef, is het paleis en het kasteel ontworpen door Eladio Laredo, een lokale architect, die leefde en werkte in de tijd van Jugendstil en Modernisme. Het paleis is een mengelmoes van neo-stijlen; moorse bogen, barok, classisisme, aangekleed met tegeltjes van keramiek. Daardoor waan je je het ene moment in Sevilla, dan weer in Portugal en ineens sta je voor een paleis van Paladio in Italië. Verscholen in een hoek van de tuin staat een neo-romaanse kapel. Daar was ook de uitgang, waar we het landgoed verlieten op het moment dat de gids nog even verhaal haalde bij de drie betweters.  

Eindelijk weer eens op pad

14/03/2018

Bárcena Mayor, een typisch Cantabrisch bergdorp op anderhalf uur rijden van onze vissersplaats Castro Urdiales. Anderhalf uur met de auto. Na meer dan een jaar mag de schrijver van deze blog weer autorijden. Tot grote vreugde van de kroost, die na ruim een jaar wel weer toe was aan een dagje uit met de auto. De bestemming werd dus Bárcena Mayor, gelegen in het hart van het nationale natuurreservaat Saja-Besaya, aan de oostkant van de Picos de Europa, waarvan de besneeuwde bergtoppen goed waren te zien. De CA280, die later overgaat in de CA180 brengt de reiziger van de kust naar Bárcena, waar de weg eindigt. De plaats staat regelmatig hoog op de lijsten van de mooiste dorpen van Spanje. De huizen hebben de typische Cantabrische architectuur, waar vooral de zware houten balkons opvallen. In de lente zullen die worden aangekleed met geraniums en zal het dorp veranderen in een groot kleurenspektakel. Daar was het nu nog te vroeg voor. Ook de natuur rond het dorp moet nog uitlopen. Maar toch, de grote parkeerplaats buiten het dorp stond rond het middaguur vol. Het waren vooral veel mensen uit de streek die niet voor de geraniums kwamen, maar voor de lokale keuken met specialiteiten als fabada con venado, witte bonen met hert, chuleta de potro, veulenkotelet, cocido montañes, de stoofpot van de streek. De vele restaurants in het dorp, sommigen met uitnodigende terrassen aan het riviertje de Argoza, zijn het bewijs dat het in de zomer erg druk kan zijn.

Op een kleine afstand van Bárcena Mayor ligt het dorpje Carmona, dat veel minder toeristisch is dan Bárcena. Hier is bijvoorbeeld maar één bar, bij de ingang van het dorp. Op de terugweg over de CA280 is ter hoogte van de plaats Valle Cabuérniga de afslag naar de CA182 die richting Carmona gaat. Langs de weg ligt een uitzichtspunt, hoog boven Carmona, waar niet alleen het dorp is te zien, maar ook de omringende bergen en de Picos de Europa. De stijl van de huizen in Carmona verschilt niet veel van die in Bárcena. In Carmona zijn de rurale activiteiten nog overal zichtbaar. Houtbewerkers zijn op het erf actief, geiten worden naar het weiland gedreven. Carmona staat bekend om de productie van de typische klompen met lange noppen onder de zool om niet te ver weg te zakken in het drassige weiland. Het bezoek aan Bárcena Mayor en Carmona was niet alléén maar een dagje uit. Vorige week kreeg ik een contract van de Nederlandse uitgever Edicola om een reisgids over Asturië en Cantabrië te schrijven. Daarin mogen deze twee dorpjes natuurlijk niet ontbreken.

Sneeuwpop onder een palmboom

01/03/2018

 

Of wat er nog van over is. Een ééndagssneeuwpop. Gisteren gebouwd en vandaag al weer bijna helemaal gesmolten. Gij zijt water en gij zult tot water wederkeren. Achter de sneeuwpop stroomt het vloeibare overschot richting de bron, de Cantabrische zee. De sneeuwpop staat op de plaats waar we zondag nog heerlijk op het terras zaten, genietend van een txakoli, de Baskische witte wijn. Maar op woensdagochtend bereikte ´the Beast from the East´ onze kust en lag er in een mum van tijd een flink pak sneeuw. Maar vandaag steeg het kwik alweer naar de zeventien graden. Zo snel kan het weer hier omslaan. Een paar weken geleden zei iemand op straat, nadat het dagen achter elkaar had geregend en we eindelijk weer eens van een voorjaarsdag konden genieten, dat Castro Urdiales een microklimaat heeft. Maar daar hebben we deze winter weinig van gemerkt, ook al staan er sinaasappelbomen in de straat en palmbomen in tuinen en parken. Het is een natte winter met veel regen, maar sneeuw was er al jaren niet gevallen. Zes jaar geleden, toen we nog maar net in Castro Urdiales waren neergestreken, vielen er wat vlokken uit de hemel. Maar die deden dat zo aarzelend dat ze al waren gesmolten voor ze de grond bereikten. In de hal van ons appartementencomplex hangt een foto van de laatste hevige sneeuwval in ons dorp, maar niemand die kan vertellen, wanneer dat precies is geweest. Het doet er ook niet toe. Woensdag konden de kinderen de hele ochtend van de sneeuwpret genieten. De scholen bleven gesloten, niet eens zozeer omdat het te gevaarlijk was om naar school te gaan, maar vooral omdat iedereen van dit zeldzame verschijnsel wilde genieten; jong en oud.

 

Het huis van mijn vader

24/02/2018

Waar was ik toen, vroeg ons tweede zoontje toen hij een babyfoto van zijn anderhalf jaar oudere broertje zag. In onze gedachte, antwoordde zijn moeder. Dezelfde vraag kwam in mij op, toen ik onlangs bovenstaande foto op Facebook zag. Een luchtfoto van mijn geboortedorp Beesd uit 1960. Het huis waar mijn wieg stond is te herkennen boven in de foto in de rechterstraat van het rechthoek van vier straten, ter hoogte van de t-splitsing. Je moet er wel voor inzoomen om het te kunnen zien. Vier huizen op een rij, waarschijnlijk nog in aanbouw, want mijn ouders trokken er in 1964 in. Een typisch huis volgens de architectonische normen uit die tijd; rijtjeshuis en doorzonwoning. Waar was ik, toen deze foto werd genomen. Het zou nog tien jaar duren voor ik in huis kwam. Een paar jaar geleden zetten we het huis in de verkoop. Toen ik dat tegen Baskische vrienden vertelde, fronsten sommigen hun wenkbrauwen. Want voor veel Basken is een huis een bezit voor de eeuwigheid. De dakpan is het symbool voor eigendom. Toen het huis werd leeggehaald, begreep ik de Baskische reactie nog niet. Dat begrip kwam wel toen jaren later het huis werd verkocht en er al snel een grote afvalcontainer in de voortuin stond. Na materieel bezit werd nu de ziel uit het huis gesneden. Het huis zou nooit meer hetzelfde zijn. Vertrouwde hoekjes verdwenen, tussenmuren werden geslecht, en de telefoon met de draaischijf aan de muur bij de trap zal er waarschijnlijk ook niet meer hangen.

Overigens zal de Bask zonder problemen afstand doen van zijn appartement, zoals die torenhoog in de plaatsen tussen de bergen staan. Eibar is daar een mooi voorbeeld van, een plaats aan de snelweg tussen San Sebastián en Bilbao, waar alleen  appartementenblokken van elf of twaalf verdiepingen staan, omdat er geen ruimte is voor laagbouw. Als de Bask het over zijn huis heeft, heeft hij het over zijn etxea, een landhuis of boerderij. Die blijven voor eeuwig familiebezit. De bewoners stellen zich niet voor met hun achternaam, maar met de naam van hun huis. Of het huis is de achternaam geworden, zoals bij Etxaberria, wat Nieuwhuis betekent. Zelfs de voornaam Xavier is afgeleid van Etxaberria. De Baskische poeet Gabriel Aresti schreef in het Baskisch een mooi gedicht over het Baskische huis, de etxea. Hieronder een vrije vertaling. 

Ik zal het huis van mijn vader verdedigen,

tegen wolven, tegen de droogte, tegen woekerpraktijken, tegen de wet

Ik zal het huis van mijn vader verdedigen

al zal ik het vee, de moestuinen, de pijnbomen verliezen

al zal ik de rente, de opbrengsten, de dividenden verliezen

toch zal ik het huis van mijn vader verdedigen

Ze kunnen mijn wapens afnemen, en met mijn handen zal ik het huis van mijn vader verdedigen

Ze kunnen mijn handen afhakken en met mijn armen zal ik het huis van mijn vader verdedigen

Ze kunnen me zonder armen, schouders en borstkast laten en met mijn ziel zal ik het huis van mijn vader verdedigen

Ik zal dood gaan, mijn ziel zal verloren gaan, mijn nageslacht zal verdwijnen

maar het huis van mijn vader zal er altijd blijven staan