De trommelaar van de favela

 

Het is misschien geen echte favela, misschien mag je die naam ook alleen maar voor Braziliaanse sloppenwijken gebruiken, zoals dat ook geldt voor de aanduiding van gemarkeerde wijngebieden. Maar de wijk Leguina in de stad Güines, op 52 kilometer van Havana, heeft in onze Westerse ogen alle kenmerken van een sloppenwijk en door het woord favela te gebruiken, is een mooi decor geschetst bij het verhaal van het kleine jongetje Tata dat trommelend op melkpakken en  worstenblikken door de straten ging en uitgroeide tot de Koning van de Conga. Hij past in het rijtje van Compay Segundo, Ibrahim Ferrer, Rubén Gonzalez en al die andere helden uit de Buena Vista Social Club, met wie Federico Arístides Soto Alejo, de officiële naam van Tata, regelmatig optrad. De foto hierboven laat de patio zien waar Tata uren trommelend doorbracht. Aan de patio ligt de kleine kamer waar hij met zijn zeven broers woonde, een ruimte van zo´n vier bij vier meter.  Na zijn dood in 2008 werd de kamer ingericht als een museum, waar persoonlijke eigendommen van Tata, zoals zijn trommels, zijn kleurige Afrikaanse hemden, foto´s en oorkonden worden tentoongesteld. Hij kan met zijn vingers en de palmen van zijn hand alle geluiden van de natuur imiteren, staat boven twee foto´s van de trommelvirtuoos. Ooit, bij een concert in Monmartre, kreeg hij de ingeving om met zijn nagels te trommelen en zo het geluid te imiteren van twee slippers op een houten vloer. La uña, de nagel, werd vanaf dat moment het kenmerk van Tata. Hij was er trots op dat hij ooit een zaal vol met Duitsers aan het dansen kreeg. Hij trad op met Silvio Rodriguez en was gastmuzikant bij Diego El Cigala en Bebo Valdés. Met Lagrimas Negras van Cigala en Valdés won Tata een van zijn drie Grammy Awards. Twee jaar geleden overleed Tata, maar op de patio klinkt nog steeds conga, rumba en guacuancó. In 2004 toverde Tata de patio om in een kweekvijver, nadat hij het culturele project El Patio de Tata Güines opstartte. Op de binnenplaats wordt nu les gegeven aan de kinderen van Gúines en dan vooral uit de wijk Leguina. Het zijn de zogenaamde Tatagüinitos die hopen ooit zo beroemd te worden als Tata. Ze treden nu nog op voor de spaarzame toeristen die naar Güines komen, een plaats die in de twee reisgidsen die ik heb, die van Dominicus en Capitool, niet wordt genoemd. We zijn ook altijd de enige groep tijdens de rondleiding van museumdirecteur Zeleida. Zij neemt ons mee naar de kerk van Santa Barbara (Tata was devoot aan de orisha Changó, de Afrikaanse equivalent van de heilige Barbara in de wereld van de Santería) en uiteraard bezoekt ze met ons de patio van Tata. Maar steeds als we daar zijn, zitten de Tatagüinitos op school (de foto hierboven komt van de gemeentelijke website van Güines). Toch zijn er altijd wel wat nieuwsgierige kinderen die op het geluid van de trommels afkomen en spontaan beginnen te dansen. Zoals dat ook hoort op de patio van Tata.     

Advertenties

Tags: , ,

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s


%d bloggers liken dit: